naar startpagina van geschiedenis schilderkunst 1900-1910 schilderkunst 1910-20 schilderkunst 1920-30 schilderkunst na 1930 schilderkunst in china schilderkunst in japan geschidenis van de kleurstoffen

Over-stromingen, Geschiedenis van de moderne Schilderkunst, startpagina

"Geschiedenis van de moderne schilderkunst" wordt momenteel herschreven, nu met biografieën van de belangrijkste schilders, en voorzien van de nodige illustraties om zicht te krijgen op het oeuvre van de kunstenaar. De geschiedenis van de Chinese en Japanse schilderkunst werden eerst herwerkt en worden apart gehouden, omdat zij een grote rol speelden in het ontstaan van de westerse schilderkunst. De Europese schilderkunst en zijn navolging in de ganse westerse wereld werd vervolgens per decennium ingedeeld en is gebaseerd op de tijd dat zij hun eerste belangrijke werk schilderden. Dat is niet altijd scherp af te bakenen, maar het geeft toch een goed idee hoe schilders tegelijk in diverse stijlen werkten. Sommige kunstenaars begonnen hun specifieke stijl, of de eerste van specifieke stijlen, op ongeveer twintigjarige leeftijd, andere pas veel later, waardoor de leeftijden binnen een pagina kunnen verschillen. Per pagina werden zij vervolgens gerangschikt naargelang hun geboortedatum. Deze pagina's zijn nog in opbouw en worden telkens aangevuld. (Momenteel zijn links toegevoegd aan thumbnails van 1900-1910, het volgende is de thumbnails plaatsen voor 1910-1920.)

Negentiende eeuw: 1800 tot 1860 - 1860 tot 1880 - 1880 tot 1890 - 1890 tot 1900

Twintigste eeuw: 1900 tot 1910 - 1910 tot 1920 - 1920 tot 1930 - na 1930

Het bestuderen van biografie van diverse schilders onthult veel over hun kunst. Allereerst is hun afkomst en thuis doorslaggevend. Sommigen begonnen miserabel, vaak volgde er een lange weg, een weg met uiteindelijk succes of nooit een degelijke erkenning. Het valt op dat veel schilders van welgestelde tot zeer welgestelde afkomst waren. Er waren uiteraard veel, veel meer schilders dan vermeld, maar we moesten kiezen, en we dienden over de nodige bronnen te beschikken, zowel qua tekst als qua illustraties. Elke schilder had een andere persoonlijkheid, zo anders dat ze, met elkaar vergeleken, een kopie zijn van de volledige maatschappij. Misschien was er toch een uitzondering, schilders bleken mentaal heel gezonde mensen, er was heel weinig psychische problematiek, niettegenstaande een vaak woelig bestaan. Een "kunstenaarstype" bestaat niet. Dadd was de enige geïnterneerde, Van Gogh had zijn periodes. Edward Munch daarentegen was geestelijk gezond, hij had een psychisch zieke zus, en zijn schilderijen werden graag uitgelegd vanuit psychische stoornis. In plaats van daartegenin te gaan deed hij er nog een schepje bovenop, dat image kwam hem goed uit voor de verkoop.

Het karakter van de schilders en hun conderlinge communicatie was ook erg verschillend. Een periode van afzondering was vaak tijdelijk, vooral in hun jonge jaren hadden zij veel contacten. De liefdeshistories zijn al evenzo uiteenlopend, levenslang getrouwd, of drie maal hertrouwd als weduwnaar, of telkens opnieuw een andere partner zoals Picasso. Sommige gemakkelijk in de omgang, of helemaal niet. Soms door iedereen geliefd zoals "papa Corot", die uit elke leerling het beste haalde, volledig naar diens eigen stijl. Of diegenen die enkel zijn opvolgers waardeert of toch enigszins overeenkomstig schildert. Vrijheidslievend tot onverdraagzaam. De naam van de Belgische gallerij "Libre esthétique" spreekt voor zichzelf, maar sommige schilders haalden hun werken er terug weg omdat X of Y er ook een werk had hangen.

Of een schilder zonder connecties uiteindelijk toch eindigde met succes, was het resultaat van verschillende factoren. Sommigen verkozen wat meer zekerheid en stopten met schilderen of combineerden met ander werk, van gravures, etsen tot illustraties, als leraar, of gewoon diverse klussen overal. Enige vrouwen stelden de carrière van hun man boven die van zichzelf, ook als zij zelf een niveau hoger waren in kunst. Anna Boch was om die reden nooit gehuwd, maar toch stak ze meer tijd in de promotie van andere (mannelijke) schilders dan van zichzelf. In de twintigste eeuw werd het mecenaat steeds belangrijker, een galerijhouder of verzamelaar die hen sponserde of aan een vaste prijs hun werk opkocht, meerdere mecenassen of één grote naam.

De belangrijkste schilders zijn de persoonlijkste, zij die een geheel nieuwe stijl ontwikkelden, sommige meer dan één opeenvolgend. Toch werd er hier en daar wel eens al te nadrukkelijk van een elkaar afgekeken. Niemand is ook totaal origineel, elke schilderstijl is een vervolg van anderen vóór hem of haar. Toen Manet zichzelf sponserde en daarbij ook andere schilders een kans gaf, gaf hij de start aan de opkomst van wat later impressionisme werd genoemd. Toch was zijn eigen stijl eerder een nieuw soort realisme. Samen streden zij om het erkennen van andere stijlen buiten diegene die academische erkenning hadden. Nog andere richtingen ontstonden, zoals het symbolisme, meer een kwestie van onderwerp, want de stijl kon zowel academisch zijn als baanbrekend, zoals bij Odilon Redon. Maar al hun werk is gewoon ondenkbaar zonder figuren als Delacroix, Courbet of Corot.

Uiteindelijk kwam het impressionisme ook Engeland binnengestroomd. De meest baanbrekende Engelse schilder blijft Turner, wiens transformatie in academische kringen niet geäpprecieerd werd. Hij heeft lange tijd bewonderaars gehad, maar via Turner kwam er niet echt een vernieuwende stroom op gang. Ook Blake's expressionisme-symbolisme was uniek. Maar een grootschalige revolutie in de schilderkunst ontstond er in de neogotiek. Als architectuur is de neogotiek veel meer bekend dan de schilders. Een eerste "school" kwam er in Duitsland, maar niettegenstaande hun internationale invloed deinde het uit in de restauratie van oude werken. Behalve in Engeland waar het vooral de literatuur als grootste onderwerp koos, naast de klassieke mythen en religie, en er een vereniging kwam, de prerafaëlieten, met leden, die hun opvolgers hadden gedurende een lange periode, alsook een bredere kring van schilders die zich verwant voelden.

Invoeden kwamen niet enkel uit Europese kringen, de inspiratie kwam uit alle hoeken van de wereld. De allereerste schilders die met snelle en definitieve toets werkten, waren de zenboeddhistische schilders in China, in het bijzonder de schilders van de koan's. Het perfectionisme van de snelle toets was eveneens een kenmerk van de Chinese calligrafie. Hoe het in Europa van invloed was is niet precies te achterhalen. Hun werken op zijde waren te delicaat voor reizende tentoonstellingen. Maar er werd veel gereisd en velen hadden de werken in China gezien. De grote rage van de chinoiseries die opkwam in de 18de eeuw, werd veroorzaakt door verzamelaars van vazen en vaatwerk, die zowel de losse toets kenden als pijnlijk nauwkeurige en geïdealiseerde taferelen. Interieurs van kastelen en paleizen werden vaak met Chinese taferelen beschilderd. Er waren ook westerse schilders die "Chinees" schilderden, maar dat kwam meer overeen met de figuratieve taferelen op de vazen dan de vluchtige toets. Turner experimenteerde met calligrafische borstelstreken. De bonte kleuren die onder andere de impressionisten verkozen, alsook een andere kijk op compositie, waren er gekomen als gevolg van de Japanse prentkunst, die in Europa verwoed werd verzameld. De expressionisten verkozen expressie en haalden hun inspiratie uit beelden, maskers en schilderingen van diverse culturen, in Afrika, Oceanië, Indianen, het shamanisme. Abstracte schilders insprireerden zich op Zuid-Amerkaanse textiel, oudindische schilderkunst, keltische kunst, miniaturen...

Een andere factor die het ontplooien van de moderne kunst heeft bepaald is uiteraard de politiek. Het meest in het oog springend is de rol die oorlogen hebben gespeeld. De eerste bom in de kunstwereld was de Frans-Pruissische oorlog. Niet enkel voor diegenen die meevochten. Frankrijk verloor de oorlog en had Parijs in chaos achtergelaten. Daar ontstond een machtstrijd, de communisten wonnen en richtten een zelfbestuur op om Parijs te redden van de hongersnood. Toen het verslagen leger terugkwam eisten zij dat het nieuwe bestuur zijn taken volledig overdroeg aan het oude bestuur. Het werd een tijd van opstanden, die bloedig onderdrukt werden. De meeste slachtpartijen gebeuren in de beroemde semaine sanglante. Daarna mocht het voorval niet in de pers worden vermeld, gesanctioneerd met onmiddellijke excecutie. De aanhangers van het zelfbestuur werden door het regime "anarchisten" genoemd.

De meeste moderne schilders stonden aan de kant van de communisten, hoewel ze niet fysiek in de strijd meevochten. Ook zij werden vaak tegengewerkt. De laatste uitloper is dat van de leider van de postimpressionisten (divisionisten), Dubois-Pillet, een gendarme, schilder, theoreticus en promotor. Hij ondersteunde de neo-impressionistische schilders en deed veel voor hun promotie en erkenning. De meesten waren "anarchisten" of sympathisanten. Hij kreeg het bevel van hogerhand om zich niet langer met de postimpressionisten te bemoeien, en geen contacten te onderhouden. Hij legde het bevel naast zich neer en werd de dood ingestuurd. Toch kwam er nog een grote posthume retrospectieve, waarop zijn huis met daarin zijn collectie werken, in brand werd gestoken.

In de twintigste eeuw volgden twee wereldoorlogen elkaar snel op. Zo snel, dat vele schilders ze beide hebben meegemaakt. In WO I was het lot van de schilders onderling erg verschillend. Diegene die meevochten waren voor de rest van hun leven de dupe. Picasso maakte tijdens de oorlog grote opgang ten koste van zij die waren gaan vechten. Er waren ook gesneuvelde kunstenaars, zwaar gewonde of ernstig getraumatiseerde, het duurde soms een hele tijd voor ze de draad terug konden opnemen. Anderen waren naar het buitenland gevlucht. In Zwitserland begon de dada-beweging, bedoeld als protest tegen de oorlog. Zij die in Amerika of in Engeland in ballingschap waren, hebben kunnen verder schilderen. Sommigen vaarden zelfs goed in de oorlog, zoals de Belgische expressionisten in Engeland, zij werden daar meer gewaardeerd dan in eigen land. Toen de meesten na de oorlog terugkeerden naar hun roots, hadden zij ook daar een grotere erkenning. Er was echter een na-oorlogse hang naar rust, orde en conservatisme, de wilde stijlen moesten wijken voor een terugkeer van het realisme, dat naturalistisch kon zijn tot erg gestyleerd.

De terreur van het nazisme zaaide vernieling in de kunstwereld. Het begon al vóór de oorlog, met het afkeuren van alles wat niet op het oudacademische leek. Het werd steeds strenger en onverdraagzamer, en in 1937 kwam de fameuze expositie van "ontaarde kunst". Een massa werken werden uit musea verwijderd, en aan spotprijzen aan het buitenland verkocht, maar ook verbrandingen. Ongewenste benoemingen werden omgezet in direct ontslag. Kunstschilders trokken zich terug of trokken naar het buitenland. In Frankijk trokken ze zich terug in het zuiden, of emigreerden naar het buitenland, de VS werd hierdoor het nieuwe centrum van vernieuwende kunst, en vele mecenassen, grote verzamelaars en sponsers vertrokken ook met hun collecties naar de VS. De moderne kunst werd er door het publiek bespot, maar werd tegelijk ook een publiek amusement. Er was ook een grote appreciatie en steun van een deel van de bevolking. Nog een grotere ramp was het stalinisme. Rusland was vanuit Sint-Petersburg heel nauw aanleunend bij de westeuropese schilderkunst. Onder het stalinisme werd de Russische avant-garde, toen toonaangevend, begraven onder het verplichte monopolie van het sociaalrealisme. Een persoonlijke schilderstijl hebben was reeds een overtreding. Rusland is momenteel helaas niet toegankelijk om veel informatie te vinden over de Russische moderne schilderkunst.

Toen het impressionisme vanuit Frankrijk toch een bredere toegang kreeg tot het grote publiek, ontstond tegelijk een rage voor vernieuwing. Toen de verrassing eraf was, kwamen schilders uit de hoek die het impressionisme passé vonden en nieuwe technieken zochten, zoals het neo-impressionisme, ook divisionisme genaamd. Toen begon de trend van het verkondigen van theorieën, het publiceren van essays en manifesten, waarin zij "aantoonden" dat zij de enige juiste vernieuwing waren, en alle anderen verkeerd. Die trend zette zich steeds verder in de twintigste eeuw, zo kwam het idee van stromingen. Kandinsky verkondigde overal dat de evolutie van figuratieve naar abstract kunst de enige mogelijke was, de vooruitgang. Dat stond wars tegenover de realiteit, het figuratieve is steeds blijven bestaan naast de abstracte, surrealistische schilders waren figuratief of abstract, of beide. Er waren neo-impressionisten die naar het kubisme overstapten, of terug impressionistisch werden, of abstracte schilders die tot het figuratieve terugkeerden. Schilders zochten elkaar op, stichtten groepen, gingen uit elkaar en werden weer lid van andere verenigingen, steunden elkaar of braken elkaar af. Voor hun bekendheid en de verkoop van hun werk werd het steeds belangrijker zich op de een of andere manier met een beweging te associëren. Dat de meeste niet lang duurden heeft geen belang. Het fauvisme bijvoorbeeld heeft als beweging drie jaar geduurd, maar het vlugge schilderen met snelle toetsen en bonte kleuren is steeds blijven terugkomen, al of niet in stromingen, evenzeer als het schilderen van precieze figuren. Realisme kwam telkens en telkens terug, en bleek ook veel verschillende gedaanten aan te nemen, erg gestyleerd stond het soms tussen figuur en abstractie. Het indelen in stromingen is ontstaan als middel om een schilderstijl te kunnen plaatsen, om zicht te krijgen in de bonte creatieve wereld.

 
 
to homepage of art7d.be