 |
|
Over-stromingen, Geschiedenis
van de moderne Schilderkunst, 1910-20 |
| Nolde, Balla, Feininger, Mondriaan, Stella, De Smet, Klee, Malevitsj, Picabia, Garber, Marc, Pechstein, Van de Woestyne, Gleizes, Gestel, Boccioni, Filonov, Van den Berghe, Severini, Servaes, Schmidt-Rottluff, Dottori, Permeke, Chagall, Gris, Macke, de Chirico, Campendonk, Ernst, Miró, Soutine, Janco |

Emil Nolde,

Emil Nolde,

Emil Nolde,

Emil Nolde,

Emil Nolde,

Emil Nolde,

Emil Nolde,

Emil Nolde,

Giacomo Balla,

Giacomo Balla,

Giacomo Balla,

Giacomo Balla,

Giacomo Balla,

Giacomo Balla,

Giacomo Balla,

Giacomo Balla,

Giacomo Balla,
Lyonel Feininger,
Lyonel Feininger,
Lyonel Feininger,
Lyonel Feininger,
Lyonel Feininger,
Lyonel Feininger,
Lyonel Feininger,
Lyonel Feininger,
Lyonel Feininger,
Piet Mondriaan,
Piet Mondriaan,
Piet Mondriaan,
Piet Mondriaan,
Piet Mondriaan,
Piet Mondriaan,
Piet Mondriaan,
Piet Mondriaan,
Joseph Stella,
Joseph Stella,
Joseph Stella,
Joseph Stella,
Joseph Stella,
Joseph Stella,
Joseph Stella,
Joseph Stella,
Gustaaf De Smet,
Gustaaf De Smet,
Gustaaf De Smet,
Gustaaf De Smet,
Gustaaf De Smet,
Gustaaf De Smet,
Gustaaf De Smet,
Gustaaf De Smet,
Gustaaf De Smet,
Paul Klee,
Paul Klee,
Paul Klee,
Paul Klee,
Paul Klee,
Paul Klee,
Paul Klee,
Paul Klee,
Paul Klee,
Kazimir Malevitsj,
Kazimir Malevitsj,
Kazimir Malevitsj,
Kazimir Malevitsj,
Kazimir Malevitsj,
Kazimir Malevitsj,
Kazimir Malevitsj,
Kazimir Malevitsj,
Francis Picabia,
Francis Picabia,
Francis Picabia,
Francis Picabia,
Francis Picabia,
Francis Picabia,
Francis Picabia,
Francis Picabia,
Daniel Garber,
Daniel Garber,
Daniel Garber,
Daniel Garber,
Daniel Garber,
Daniel Garber,
Daniel Garber,
Franz Marc,
Franz Marc,
Franz Marc,
Franz Marc,
Franz Marc,
Franz Marc,
Franz Marc,
Max Pechstein,
Max Pechstein,
Max Pechstein,
Max Pechstein,
Max Pechstein,
Max Pechstein,
Max Pechstein,
Gustave Van de Woestyne,
Gustave Van de Woestyne,
Gustave Van de Woestyne,
Gustave Van de Woestyne,
Gustave Van de Woestyne,
Gustave Van de Woestyne,
Gustave Van de Woestyne,
Gustave Van de Woestyne,
Albert Gleizes,
Albert Gleizes,
Albert Gleizes,
Albert Gleizes,
Albert Gleizes,
Albert Gleizes,
Albert Gleizes,
Albert Gleizes,
Albert Gleizes,
Leo Gestel,
Leo Gestel,
Leo Gestel,
Leo Gestel,
Leo Gestel,
Leo Gestel,
Leo Gestel,
Umberto Boccioni,
Umberto Boccioni,
Umberto Boccioni,
Umberto Boccioni,
Umberto Boccioni,
Umberto Boccioni,
Umberto Boccioni,
Pavel Filonov,
Pavel Filonov,
Pavel Filonov,
Pavel Filonov,
Pavel Filonov,
Pavel Filonov,
Pavel Filonov,
Pavel Filonov,
Frits Van den Berghe,
Frits Van den Berghe,
Frits Van den Berghe,
Frits Van den Berghe,
Frits Van den Berghe,
Frits Van den Berghe,
Frits Van den Berghe,
Gino Severini,
Gino Severini,
Gino Severini,
Gino Severini,
Gino Severini,
Gino Severini,
Gino Severini,
Gino Severini,
Albert Servaes,
Albert Servaes,
Albert Servaes,
Albert Servaes,
Albert Servaes,
Albert Servaes,
Albert Servaes,
Karl Schmidt-Rottluff,
Karl Schmidt-Rottluff,
Karl Schmidt-Rottluff,
Karl Schmidt-Rottluff,
Karl Schmidt-Rottluff,
Karl Schmidt-Rottluff,
Karl Schmidt-Rottluff,
Karl Schmidt-Rottluff,
Gerardo Dottori,
Gerardo Dottori,
Gerardo Dottori,
Gerardo Dottori,
Gerardo Dottori,
Gerardo Dottori,
Gerardo Dottori,
Gerardo Dottori,
Constant Permeke,
Constant Permeke,
Constant Permeke,
Constant Permeke,
Constant Permeke,
Constant Permeke,
Constant Permeke,
Constant Permeke,
Marc Chagall,
Marc Chagall,
Marc Chagall,
Marc Chagall,
Marc Chagall,
Marc Chagall,
Marc Chagall,
Marc Chagall,
Marc Chagall,
Juan Gris,
Juan Gris,
Juan Gris,
Juan Gris,
Juan Gris,
Juan Gris,
Juan Gris,
Juan Gris,
August Macke,
August Macke,
August Macke,
August Macke,
August Macke,
August Macke,
August Macke,
August Macke,
August Macke,
Giorgio de Chirico,
Giorgio de Chirico,
Giorgio de Chirico,
Giorgio de Chirico,
Giorgio de Chirico,
Giorgio de Chirico,
Giorgio de Chirico, |
| |
| Emil Nolde (1867-1956) werd geboren als Hans Emil Hansen in de buurt van Tondern, Noord-Sleeswijk, Duits-Deens grensgebied, als vierde zoon van een boer en boerin, zij kwam uit het dorp Nolde. Hijbegon als houtsnijder en tekenaar in Flensburg, werkte als houtsnijder in meubelfabrieken in München en Karlsruhe en volgde de Staatsacademie voor Schone Kunsten in Karlsruhe. Vanaf 1890 werkte hij in een meubelfabriek in Berlijn en verhuisde in 1892 naar Sankt Gallen in Zwitserland waar hij vijf jaar werkte als docent industrieel tkenen en modelleren. Zijn reproducties “Bergansichtkarten” werden heel populair. Hij werd afgewezen voor de Academie in München, en volgde particuliere schilderscholen in München en Dachau en in 1899-1900 ook in Parijs, waarna hij een atelier huurde in Kopenhagen. Toen hij in 1902 huwde met Ada Vilstrup in 1902 veranderde hij zijn naam in Nolde, ze verhuisden naar Berlijn, zij was overtuigd van zijn artistieke grootheid en bleef zijn manager tot haar dood in 1946. De winters bleven ze doorbrnegen in Berlijn en ontvingen vele gasten, de zomers in het noorden aan zee. Hij had tentoonstellingen met Karl Schmidt-Rottluff en in 1906 ging hij in op diens uitnodiging om zich bij Die Brücke aan te sluiten. Schmidt-Rottluff bracht zomers door bij Nolde op het eiland Alsen. In 1907 verbleef Ada in een sanatorium in Dresden, waar zij Erich Heckel leerde kennen. Hij was niet gelukkig met de belangstelling die beiden hadden voor Ada en vond dat de vereniging meer aan hem had dan andersom. Hij maakte toen vele religieuze werken. Sinds 1908 was hij lid van de Berlijnse Secession, maar wegens ruzie met Max Liebermann werd hij in 1910 uitgesloten. Hij verzette zich tegen de kunstwereld die volgens hem gedomineerd werd door de Joodse kunst. Hij maakte tekeningen in het Berlijnse Etnologische mususeum en verwerkte die in zijn stillevens. In 1913 werden twee werken aangekocht door het Städtische Museum in Halle-Saale, wat leidde tot een publiek debat.
Ada en Emil trokken mee met een expeditie door Duits Nieuw-Guinea, hij maakte talrijke aquarellen als expeditiekunstenaar. Ten gevolge van een infectie bleef Nolde na een ziekenhuisopname in de kustplaats Kavieng. In 1914 keerden ze terug, toen ze in het Suez-kanaal waren brak WO I uit. Ze vaarden naar het neutrale Port Said en reisden van daar naar Marseille, Genua, Milaan, Halle an der Saale, Berlijn en Hamburg naar hun huisin Alsen. De zomer daarop verhuisden ze naar een boerderij aan de Duitse westkunst. Doordat ze zichzelf konden onderhouden doorstonde ze de oorlog vrij goed. Hij was 50 en werd te oud bevonden voor militaire dienst, in tegenstelling tot de andere leden van Die Brücke. Hij produceerde er honderden olieverfschilderijen en aquarellen in zijn atelier, hield solotentoonstellingen en kon heel wat verkopen.
Na de oorlog was Nolde korte tijd lid van de Arbeidersraad voor de Kunsteen in Berlijn, evenals andere leden van Die Brücke. Een referendum in het grensland had voor gevolg dat hun huis nu in Denemarken stond, zo werd hij Deens staatsburger. In 1926 kocht hij een nabijgelegen terp die dan weer in Duitsland stond. In 1927 ontwierp en bouwde hij daar zijn eigen huis. Hij wed gezien als een vooraanstaande vertegenwoordiger van de Duitse hedendaagse kunst en hij verkocht aan vele openbare collecties. Voor zijn 60ste verjaardagwerd een grote jubileumtentoonstelling gehouden in Dresden met meer dan 200 werken, een kleinere versie reisde verder rond naar Hamburg, Kiel, Essen en Wiesbaden. Hij ontving een eredoctoraatvan de universiteit van Kiel. In 1931 publiceerde hij het eerste deel van zijn biografie “Das eigenen Leben”. Hij werd betrokken in debattenrond de rondreizende tentoonstelling “Neuere Deutsche Kunst” in 1932. Critici vonden de expositie te nationalistisch en bevooroordeeld. Nolde verdedigde het Duitse expressionisme en noemde het “hermafroditische kunst”. Hij wou duidelijk onderscheid maken tussen “Duitse en Joodse kunst”. Vanwege de debatten over de “duitsheid” van de kunst besloot hij zich in 1934 bij de nazi’s aan te sluiten via de Nationaal-Socialistische partij van Noord-Sleeswijk. In zijn tweede deel van zijn autobiografie beschreef hij zijn strijd tegen de “Joodse kunst”. Kunstverzamelaar Tekla Hess schreef hem over zijn antisemitisme. Nolde noemde Max Pechstein een vermeende Jood in 1933. ER waren veel discussie over Nolde’s “Noordse expressionisme” en hun rol in de nazistaat. Op de tentoonstelling “Entartete Kunst” in 1937 kreeg Nolde dertig werken toebedeeld, later werden er 1000 werken van hem geconfisqueerd. Begin 1935 waren tegelijk 450 van deze werken al verworven door de “Vrienden van het Folkwang Museum”. Eind 1938 werden zijn werken verwijrded uit de Entartete Kunst, mar hij bekwam toch geen officiêle erkenning. Toen bekend werd hoeveel Nolde met de verkoop van zijn werken verdiende, werd hij uit de Rijkskamer voor Beeldende Kunsten gezet en mocht hij niet meer tentoonstellen of publiceren. Ondanks deze repressie bleven Ada en Emil sympathie hebben voor het regime.
Mei 1945 kon Nolde bewijzen dat hij slachtoffer was van het naziregime, hij was niet langer als nazi gezien door een verklaring en twee brieven waarmee hij in 1941 uit de Rijkskamer was gezet. Hij kreeg in 1946 eindelijk de erkenning die het naziregmime niet wou geven, met een erehoogleraarschap van Sleeswijk-Holstein en in 1952 de medaille “Pour le Mérite”. In 1946 overleed Ada, in 1948 huwde hij Jolanthe. In 1956 overleed hij in Seebüll. Zijn nalatenschap wordt beheerd door de Ada und Emil Nolde-stichting. |
| |

Emil Nolde, Friesenhäuser II, 1910, oil on canvas |
| |
| Giacomo Balla (1871-1958) werd geboren in Turijn als enig kind van een industrieel chemicus en amateurfotograaf, en een naaister. Zijn vader stierf op zijn negende en zijn moeder bekostigde zijn opleiding, eerst viool, dan schilderen en tekenen aan de Accademia Albertina bij Grosso. Later volgde hij ook nog psychiatrie en criminologische antropologie. Hij had ook een passie voor fotografie. In 1891 debuteerde hij als schilder bij de “Società promotrice di Belle Arti” in Turijn, waar hij de schilders De Amaicis en da Volpedo ontmoette. In 1895 vestigde hij zich bij zijn moeder in Rome en bleef daar tot het einde van zijn leven. Daar ontdekte hij de divisionistische techniek en had al spoedig leerlingen, onder meer Boccioni, Severini en Sironi. In 1904 trouwde hij met een naaister, hij kreeg twee dochters. In 1903 exposeerde hij op de biënnale van Venetië. Vanaf 1911 verliet hij het divisionisme en schilderde dynamiek en beweging. Tijdens WO I werkte hij aan een nieuwe kunstvorm, het futurisme. Vooral na de dood van Boccioni in 1916 werd hij de voorvechter van de beweging. Hij wou al zijn vroegere werken veilen, maar burgemeester Nathan, gewaarschuwd door Balla’s vrouw, annuleerde de veiling. Balla ondertekende de nieuwe werken met “FuturBalla” of “Ballafuturista”.
Het futurisme was een artistieke en sociale beweging in Italië, later ook in Rusland. Zij verheerlijkten de moderniteit, met zijn typerende dynamiek, snelheid, technologie, jeugd, geweld, moderne voertuigen, industrie en stad. Met als kunstenaars onder meer Marinetti, Boccioni, Carrà, Depero, Severini, Balla en Russolo. Ze beoefenden alle disciplines, van architectuur, schilder- en beeldhouwkunst tot film, mode, textiel en zelfs koken. Ze waren ook gepassioneerde nationalisten. Ze verwierpen alle oude kunsten en verheerlijkten de wetenschap. Hun stijl was in 1910 en 11 nog divisionistisch, een veld van stippen en strepen, ontleend aan onder andere Segantini. Ook het kubisme beïnvloedde hun stijl. De futuristen hielden zich ver van het het strenge kubisme van Picasso, Braque en Gris, te statisch en ingetogen, maar ze bleven wel met gefragmenteerde en overlappende vlakken werken. In 1912 schilderde Balla zijn “Hond aan de lijn”, dat niet de anatomische vier poten toont, maar de indruk die de poten nalaten op het netvlies. “Zo heeft een rennend paard niet vier benen, maar twintig, en hun bewegingen zijn driehoekig.” Boccioni en Severini bleven divisionistisch werken. Realistische schilderkunst vonden ze lui, fantasieloos, saai en laf, hoewel er ook enige realistische portretten werden geschilderd. In 1911 leerde hij op een reis de futuristische dichteres Maria Crisi kennen, met wie hij later zal trouwen, die nauw verbonden was met de theosofische vereniging.
In 1912 hielden de futuristen hun eerste tentoonstelling buiten Italië, in de Bernheim-Jeune-gallerij in Parijs. In 1914 kwam er een breuk tussen de Milanese groep van Marinetti, Boccioni en Balla, en de Florentijnse groep met Carrà, Soffici en Papini, met persoonlijke ruzies. De Florentijnen vonden de anderen dominant, “een onbeweeglijke kerk met een onfeilbaar geloof”. In 1914 observeerde Balla een gedeeltelijke zonsverduistering en maakte diverse werken met als titel “Planeet Mercurius trekt voor de zon langs”. Balla was vertrouwd met het werk van de voorzitter van de Theosofische Vereniging, Flammarion. In 1916 bespraken Balla en de schilder Evola in diens atelier de theorieën van Blavatsky, Besant en Steiner. De futuristen waren erg beïnvloed door de theoriën van Ballatore, die probeerde onzichtbare occulte zaken uit de beelden, en bestudeerde hoe een vierde ruimtelijke dimensie kon weergegeven worden, met trillingen als veldlijnen, krachtlijnen en elastische bollen die elkaar kunnen doordringen, een thema die te zien is in Balla’s mengtechnieken en assemblages. Abstracte werken zoals “Pessimismo e ottimismo” zijn beïnvloed door de vrijmetselaarsidealen en hun symboliek.
In 1914 ondertekende Balla het futuristische “Le vêtement masculine futuriste”, waarin een dynamische, kleurrijke en asymmetrische stijl voor mannenkledij werd voorgesteld. Hij versierde zijn muren en meubels naar de esthetiek van het futurisme. Samen met Depero maakte hij muurschilderingen en het manifest "Futuristische Reconstructie van het Universum", hij werkte met woord, beeld en klank. In 1917 ontwierp hij de decors voor “Feu d’artifice, een ballet zonder dansers” van Diaghilev en Stravinskij, en werkte mee aan scènes van de film “Vita futurista”. In 1918 publiceerde hij het “Manifest van de Kleur”. In 1921 beschilderde hij de muren van een Romeins jazz-cabaret.
Het futurisme bewonderde het geweld dat eigen was aan de tijd, en was intens patriottistisch. In hun manifest stond “Wij zullen de oorlog verheerlijken (…) militarisme, patriottisme, de destructieve daad van vrijheidsbrengers, mooie ideeën waarvoor het de moeite waard is te sterven, en minachting voor de vrouw.” In 1913 publiceerde Marinetti een politiek manifest, uit angst voor herverkiezing van Giolitti, met een campagne tegen het Oostenrijks-Hongaarse rijk dat nog steeds Italiaanse gebieden bezette. Toen in 1915 WO I begon in Italië, meldden veel futuristen zich aan. Zo deden zij met hun propaganda mee aan oorlogspropaganda. Toch had in 1914 de Florentijnse groep zich reeds terggetrokken uit het futurisme. Boccioni maakte één oorlogsschilderij en sneuvelde in 1916. Severini maakte er enige, maar trok dan naar Parijs, schilderde kubistisch in de typische na-oorlogse “terugkeer naar de orde”. Na de oorlog kwam onder Marinetti een heropleving van het futurisme.
Veel Italiaanse futuristen steunden het fascisme in de hoop het land te moderniseren en noord en zuid te verzoenen, en het “derde Rome” te verwezenlijken. Naast hen waren nationalisten, arbeiders, veteranen, radicalen en tegenstanders van democratie. Begin 1918 richtte Marinetti de “Futuristische Politieke Partij” op, die het jaar daarop opgenomen werd in Mussolini’s Fasci Italiani di Combattimento. Later verzette Marinetti zich tegen de verheerlijking van bestaande instellingen en verliet vol walging het partijcongres in 1920. Toch bleef hij het fascisme steunen tot zijn dood in 44. De associatie van futuristen met het fascisme bracht hen veel belangrijk werk op, vooral in de architectuur. Na WO II werkte dat in omgekeerde richting. Marinetti probeerde het futurisme tot officiële staatskunst te brengen, maar Mussolini weigerde dat, hij bleef kunst een zaak vinden van het individu. Moderne kunst werd getolereerd en zelfs geprezen door het Italianse fascisme, maar eind jaren 30 kwam een groep rechtse fascisten op, die het Duitse idee van “ontaarde kunst” overnamen. Binnen de groep futuristen waren ook socialisten, communisten en anarchisten. Zij werden het zwijgen opgelegd na de annexatie van Abessinië en het Italiaans-Duitse Pact van Staal in 1939.
“In 1926 beeldhouwde Balla een beeldje van Mussolini en overhandigde het hem. Ook in 26 begon hij aan zijn werk “Marcia su Roma” een eerbetoon aan de fascistische staatsgreep van 1922. Hij ondertekende het “Manifest van de Aeropainting” van 1931. Marinetti had echter in zijn “Manifesto dell'arte sacra” geschreven dat de futuristen en aeropainters de katholieke kerk en kunst nieuw leven dienden in te blazen, wat leidde tot een breuk tussen hen. Als vrijmetselaar van de Grand Orient was Balla antikatholiek. Toch schilderden nog andere futuristen, zoals Fillìa of Balla’s leerling Dottori belangrijke religieuze kunstwerken.
In 1937 schreef hij aan de krant Perseo dat hij het futurisme verliet, wegens “opportunistische en carrièregerichte individuen”, en overschakelde naar “mijn oorspronkelijke kunstvorm: de interpretatie van rauwe en onvervalste realiteit”. Balla was ook nooit een overtuigende fascist geweest, en het futurisme was nooit dé favoriet van het regime. Toen de “ontaarde kunst” ook de Italiaanse fascisten begon aan te spreken, schilderde Balla niet meer futuristisch, en ontkende hij dat hij ooit een futurist was, maar hij wou evenmin het rauwe realisme van de nieuwe fascisten overnemen. Balla werd in het cultureel midden aan de kant gezet. Na de oorlog kwam een opwaardering van zijn werk en van het futurisme. Nog later werkte Balla figuratief naturalistisch, in een eerder postimpressionistische techiek. De andere progressieve schilders begrepen zijn wending niet. Toen zijn futuristisch werk een heropleving kende, door abstracte schilders zoals Dorazio, Accardi en Colla, maakte hij een reeks “neo-futuristische” werken, die succesvol verkochten. In 1986 overleed hij op zijn zesentachtigste in zijn appartement in Rome, verzorgd door zijn twee dochters. |
| |

Giacomo Balla, Dynamism of a dog on a leash, 1912 |
| |
| Lyonel Feininger (1871-1956) werd geboren als Lyonel Charles Adrian Feininger in New York, als zoon van een Duitse violist en componist en een Amerkiaanse zangeres. In 1887 reisde hij naar Duitsland om muziek te studeren, maar stapte over naar tekenen in de Hamburger Gewerbeschule. In 1888 verhuisde hij naar Berlijn en studeerde aan de Königliche Akademie der Künste onder Ernst Hancke, daarna aan de kunstacademie van Berlijn onder Adolf Schlabitz en in Parijs beeldhouwen bij Filippo Colarossi. Hij werkte als karikaturist bij verschillende tijdschriften. In 1901 huwde hij Clara Fürst, dochter van de schilder Gustav Fürst, ze kregen twee dochters. In 1905 scheidde hij nadat hij Julia Berg had leren kennen, met wie hij huwde in 1908, ze kregen drie zonen. Zijn tekeningen hingen op de Berliner Sezession van 1901 to 1903. Keeley van de Chicago Tribune reisde naar Duitsland om hem te recruteren voor illustraties van twee stripverhalen, “The Kinder Kids” en “Wee Willie Winkie’s World”. Twintig jaar bleef hij karikaturist voor kranten en tijdschriften in de VS, Duitsland en Frankrijk. Pas op zijn 36ste begon hij te schilderen. In 1909 was hij lid van de Berliner Sezession en was verbonden met Die Brücke, de Novembergruppe, Gruppe 1919, Der Blaue Reiter en Die Blaue Vier. In 1917 had hij en solotentoonstelling in de Sturm-gallerij in Berlijn. Hij was de eerste docent bij het Bauhaus van Walter Gropius in 1919. Om te herstellen verbleef hij op het eiland Usedom en schilderde er de Oostzee. Zelfs na zijn terugkeer naar de VS bleef hij tekeningen en schilderijen maken van Benz in zijn kubistische stijl.
In 1933 kwamen de nazi’s aan de macht. Nadat zijn werk was tentoongesteld op de eerste “Entartete Kunst” in 1936, en nog vóór de tweede in München in 1937 waren ze verhuisd naar Amerika. Eerst doceerde hij in Mills College, daarna trokken ze naar New York. Naast tekenen, schilderen, houtsnijden en grafiek, was hij ook aktief als fotograaf, vanaf tot 1928 tot midden de jaren 50. In Dessau werd hij aangemoedigd door zijn buurman, de fotograaf László Moholy-Nagy. Hij nam foto’s van zijn beschilderde speelgoedfiguurtjes voor een getekende achtergrond. Hij hield zijn fotografisch werk binnen zijn vriendenkring. Hij was ook aktief als pianist en componist, vooral piano en orgel. Hij beschouwde Bach als zijn “meester in de schilderkunst”. Twee zonen werden kunstenaars, Andreas Feininger en T. Lux Feininger, beide als fotograaf, de tweede ook als schilder. |
| |

Lyonel Feininger, Church of Heiligenhafen, 1922 |
| |
| Piet Mondriaan (1872-1944) werd geboren als Pieter Cornelis Mondriaan, zoon van een protestantse hoofdonderwijzer en tekenleraar, en diens vrouw, in Amersfoort. Omdat zijn moeder vaak ziek was, deed zijn zus Christien het huishouden van toen ze nog geen acht jaar oud was. Zijn vader en een oom leerden hem tekenen. In 1889 haalde hij een akte, waardoor hij les kon geven in zijn vaders lagere school, en zelf aan de Academie studeren. Hij volgde tekenen, schilderen en kunstgeschiedenis bij Braet von Überfeldt. Zijn eerste tentoonstelling in Den Haag in 1890 werd goed ontvangen, in 1892 bekwam hij een studiebeurs van de koningin. Na zijn middelbaar verhuisde hij naar Amsterdam. Hij volgde les aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten bij Allebé, Van der Waay en Dake. Hij woonde in bij een vriend van zijn vader, die een boekhandel had. Hij deed diverse baantjes om in zijn onderhoud te voorzien. In 1894 werd hij lid van “Arti et Amicitiae”, met een eigen expositiecircuit. In 1895 en 96 leerde hij ook nog etsen. Van 1892 tot hij naar Parijs vertrok in 1912 is hij tien keer verhuisd. In de zomer was hij bovendien bij zijn ouders in Winterswijk of op reis naar Cornwall, Spanje, Uden, Domburg of Veere. In die periode steeg de prijs van zijn werken, wat 50 gulden kostte in 1893 kostte 1000 gulden in 1910. Toch moest hij ook allerlei nevenopdrachten blijven doen. In 1897 werd hij lid van de “Kunstenaarsvereniging Sint-Lucas” voor zijn exposities, en zakte hij voor de Prix de Rome. Vanaf 1898 gaf hij privéles aan vrouwen. In 98-99 woonde hij bij zijn ouders om te herstellen van een longontsteking. Terwijl hij een plafond schilderde in 1899 bestond zijn werk uit religieuze scènes en geïdealiseerde natuur. Rond 1900 ontdekte hij het symbolisme, zijn stillevens met chrysanten verwijzen naar Japanse kunst. Toen hij een tweede maal zakte voor de Prix de Rome wegens anatomie, besloot hij zich op landschappen toe te leggen. De verkoop liep niet goed meer, hij verkeerde toen in radicaal-linkse kringen. Na het bloedige einde van de spoorwegstaking in 1903-04 verhuisde hij naar het Noord-Brabantse Uden. In 1904 werd hij bibliothecaris van Sint-Lucas. Rond 1905-07 schilderde hij veel landschappen rond Amsterdam, in 1906 zag hij een grote Van-Gogh-tentoonstelling, daarna schilderde hij gestileerder. In 1908 schilderde hij meer luministisch en expressief, nadat hij Sluijters en Gestel had leren kennen, landschappen, portretten, bloemen. In 1908 was hij bij “Borr”, ingewijden van de Theosofische Vereniging, en leerde hij yoga. In Domburg schilderde hij duinen, zeezichten en kerktorens. Korte tijd was zijn stijl pointillistisch, onder invloed van neo-impressionisme en fauvisme werden zijn doeken qua kleuren veel feller. Door “Molen bij zonlicht” was hij eensklaps beroemd. Zijn verkoop was goed. Zijn moeder stierf onverwacht. In de jaren 1910-11 schilderde hij symbolistisch, zoals zijn triptiek “Evolutie”, anderzijds lijkt hij mystiek-impressionistisch zoals zijn tijdgenoten tijdgenoten als Matthijs Maris, Floris Verster en de Friese kunstenaar Jan Mankes. In 1910 richtte hij de “Moderne Kunstkring” op, met Toorop, Spoor en Kickert. Op hun tentoonstellingen waren ook Franse en Nederlandse expressionisten en kubisten.
In 1911 ondekte hij het kubisme in Parijs. Hij logeerde er op het hoofdkantoor van de Franse afdeling van de Theosofische Vereniging. Hij leerde er Léger, Le Fauconnier en Severini kennen. Hij was op de openingen van Picasso en Braque maar had met hen geen contact. Zijn kubistische werken toen, met zwarte lijnen en bruin en grijs, kwamen voor hem uit zijn theosofische opvattingen, al doen ze denken aan het strenge kubisme van de twee. Hij schilderde ook bomen maar werd steeds minder naturalistisch. Ook toen hij abstract werkte, bleef hij zijn onderwerpen zien in de werkelijkheid, hij noemde zich “abstract-realistisch”. Toen hij in 1914 zijn zieke vader bezocht, brak WO I uit, hij week uit naar Domburg en had contact met Toorop. Op aanraden van Bremmer kreeg hij een toelage van Hélène Kröller-Müller. Vervolgens vestigde hij zich in de kunstenaarskolonie Laren. Gedurende de oorlog vond hij nieuwe klanten, gaf les in Amsterdam en werkte zijn kunstopvattingen uit.
In 1917 verdween elke natuur in zijn werk, de laatste vorm van beweging was in een serie van dansende kleurvlakjes. Hij schilderde in de primaire kleuren, aangevuld met grijs, wit en zwart, in een orthogonaal systeem. Door dit werk werd Mondriaan geschrapt van de lijst van te ondersteunen kunstenaars van Bremmer. Samen met Van Doesburg, Van der Leck en Huszár richtte hij in 1916 de groep “bewust abstracten” op en begon het tijdschrift, dat later “De Stijl” zou heten. In 1918 kwam het Eerste Manifest uit van de Stijl, in 1921 zijn boekje “Le Néo-Plasticisme”. In 1919 keerde hij terug naar Parijs, waar hij teleurgesteld was dat de strenge kubisten niet in zijn richting waren geëvolueerd en nog steeds realistische elementen gebruikten. Hij bouwde er een nieuwe kennissenkring op bij dadaïsten en surrealisten, wat hem tentoonstellingen en verkoop opleverde. Op verzoek schilderde hij ook bloemen in zijn vroegere stijl, en reproducties van vroegere werken. In 1921 overleed zijn vader. In 1922 kreeg hij een overzichtstentoonstelling in Amsterdam. Hij bleef varianten maken van hetzelfde werk, zwarte lijnen, vaak slechts één kleurvlak, verder grijs dat nauwelijks te onderscheiden is van wit. Elk werk was een langdurig proces, zoekend naar de exacte plaats van lijnen en vlakken. Doordat Mondriaan petroleum gebruikte als droogmiddel, zijn de doeken vaak gebarsten. Begin jaren 20 groeiden Mondriaan en Van Doesburg uiteen. Mondriaan vond de ander niet “absoluut” genoeg, Van Doesburg vond zijn opvattingen “rigide theosofisch”. Begin jaren 30 schilderde hij een aantal ruitvormige composities. In 1932 werkte hij met dubbele lijnen.
Vanwege de internationale spanningen verhuisde hij in 1938 naar Londen en schreef zich daar in bij de theosofische vereniging. Op het nippertje aan een bominslag ontsnapt, verhuisde hij in 1940 naar New York en werd er onmiddellijk opgenomen in de avant-garde. Zijn werken werden speelser, zonder zwarte lijnen, hij gebruikte papierstroken als mal. In 1944 overleed hij aan een longontsteking. |
| |

Piet Mondriaan, Stilleven met gemberpot II, 1912, oil on canvas |
| |
| Joseph Stella (1877-1946) werd geboren als Giuseppe Michele Stella in Muro Lucano, Italië, in een middenklasse gezin met advocaten. In 1896 trok hij naar New York voor geneeskundestudies, in het spoor van zijn broer, hij noemde zich voortaan Joseph. Hij gaf zijn studies geneeskunde op voor de kunst, en studeerde aan de Art Students League in Ney York onder William Merritt Chase. Zijn eerste werken waren in de trant van Rembrandt, met als onderwerp de sloppenwijken van de stad. Hij werd een academische realist met immigranten en etnische minderheden als onderwerp. In 1908 kreeg hij een opdracht voor een serie over het industriële Pittsburgh. Hij was er ongelukkig en keerde in 1909 terug naar Italië. Zijn contacten met het modernisme deden zijn stijl veranderen, met sterke kleuren en dynamische lijnen. In 1911 ruilde hij Italië voor Parijs, wat hij wijtte aan de “alomtegenwoordigheid van de renaissanceschilders”. Hij schreef hoe fauvisme, kubisme en futurisme daar in volle bloei waren. Hij ontmoette vele andere schilders op het salon van Gertrude Stein, had Boccioni ontmoet en was bevriend met Severini. Hij paste in zijn schilderkunst futuristische principes toe, naast structuren van de kubisten en dynamische kleuren van de fauves. In 1913 ontvluchtte hij de oorlog en wou New York opnieuw proberen. Hij was aktief in de kringen van Stieglitz en Arensberg in Manhattan en hield nauwe contacten met Gleizes en Duchamp. In 1913-14 schilderde hij “Battle of Lights, Coney Island”, een vroeg futuristisch werk. Hij nam deel aan de Armory Show van 1913. De tentoonstelling werd door het grote publiek met hoon en gelach onthaald en was bron van talrijke karikaturen, waardoor de kunst net heel bekend werd en deel ging uitmaken van het Amerikaanse amusement. In 1914-16 schilderde hij zijn kleurabstracties “Rosenkavalier” en “Spring”. Zijn werk had , naast “Nude Descending a Staircase” van Duchamps en “Procession at Seville” van Picabia, het meeste invloed op jonge schilders. Dreier rekende Stella tot die kunstenaars om via haar Société Anonyme en het hedendaags museum in New York te promoten. In 1919-20 schilderde hij zijn “Brooklyn Bridge” in een mengsel van kubisme en futurisme, het werd snel bekend. “New York Interpreted” (1922) lijkt met vijf panelen op een religieus altaarstuk. In de jaren 30 reisde hij naar Europa, Noord-Afrika en West-Indië, het inspireerde hem om in verschillende stijlen te werken, stadszichten, religieus, botanisch, sensueel-Caraïbisch, stillevens met groenten, fruit en bloemen. Hij bond zich niet met een bestaande stijl, zijn “Tree of My Life” (1919) doet aan Bosch of aan een opara-scène denken. Door niet langer aan te sluiten aan de tijdsgeest en door zijn norse persoonlijkheid, gingen eind jaren 30 de waardering voor zijn werk en zijn gezondheid achteruit. In 39 had hij een retropectieve in het Newark Museum, weinig enthousiast onthaald, hij kloeg er zelf over dat hij in New York niemand had kunnen overtuigen om te komen zien. Begin jaren 40 leed hij aan hart-en vaatziekte met angsten. In 1946 overleed hij aan hartfalen. |
| |

Joseph Stella, Undine (Ondine), 1924-25, oil on canvas |
| |
| Gustaaf De Smet (1877-1943) werd geboren als Gustave Franciscus De Smet in Gent als zoon van een huisschilder-decorateur en fotograaf. Gustave was de schilder die het langst kubistisch werkte, zijn vier jaar jongere broer Léon bleef impressionistisch schilderen. Beiden volgden de Gentse Academie. In 1898 trouwde Gustaaf met Gusta Van Hoorebeke en bleef in Gent wonen. In 1908 volgde hij zijn broer naar Sint-Martens-Latem, waar het toen vooral draaide rond de impressionistische Émile Claus wonend in het dichtbij gelegen Astene. Tijdens WO I was hij met zijn gezin en zijn vriend Frits Van den Berghe uitgeweken naar Nederland, waar hij het Duitse en Hollandse expressionisme leerde kennen en de Franse schilder Le Fauconnier. Zijn stijl evolueerde en hij beschrijft zelf hoe hij tijdelijk bij het impressionisme was beland, waarna hij de manifesten en theorieën van Marinetti leerde kennen en de Nederlandse modernisten hem een openbaring brachten. “Ik arbeidde door met de wens mij stap voor stap te ontdoen van alle cliché's en van alle goedkope kunstgrepen. Voortaan wil ik mij inspannen het innerlijke leven te vertolken, met de grootst mogelijke eenvoud, expressief door de vorm en door de kleur.” Hun enig kind overleed in 1918 op zijn twintigste als slachtoffer van een treinramp bij Weesp.
In 1922 keerde hij terug naar België, samen met Frits Van den Berghe trok hij in bij Permeke in Oostende. Hij had de Sélection-beweging opgericht, samen met André de Ridder en Paul-Gustave van Hecke. Na enige maanden trok hij naar de Leiestreek, in 1923 in Bachte-Maria-Leerne, daarna in Afsnee, tenslotte in 1927 in Deurle. Zijn kubistisch expressionisme had toen zijn hoogtepunt bereikt, met circus- en kermistaferelen, accordeonspelers en dorpevocaties. In 1943 stierf hij in Deurle aan tuberculose.
|
| |

Gustaaf De Smet, Woman in a bedroom, 1931 |
| |
|
Paul Klee (1879-1940) werd geboren als Paul Ernst Klee in Münchenbuchsee, Bern, als tweede kind van een Duitse muziekdocent en een Zwitserse zangeres. Ze verhuisden enige keren in Bern tot ze er een eigen huis hadden. Op zijn zevende volgde hij vioollessen. Na zijn universiteitsdiploma verhuisde hij naar München om er kunst te studeren, hoewel zijn ouders een muzikale toekomst voor hem wilden. Hij koos niet voor muziek, hij vond dat het hoogtepunt van de muziek voorbij was en hield niet van moderne composities. Nadat hij voor Schone Kunsten was afgewezen volgde hij grafische kunst aan de privéschool van Henrich Knirr. In 1899 volgde hij etsen bij Walter Ziegler. Hij had affaires met diverse jonge modellen. In 1900 had hij zijn eigen atelier en volgde schilderen bij Franz von Stuck aan de Academie voor Schone Kunsten, waar ook Kandinsky bij was. Hij hechtte weinig waarde aan de lessen en ging niet altijd. Hij stopte in 1901. In 1901-02 trok hij met de beeldhouwer Haller doorheen Italië. Hij bewonderde er tal van interieurs, maar was ook erg verrast door de fantasierijke vormrijkdom en kleurenpracht van het aquarium in Napels. Daarna woonde hij bij zijn ouders tot 1906, hij verdiende de kost als violist bij de Berner Muziekvereniging. In 1905 reisde hij naar Parijs, en ontdekte er de impressionisten. Hij begon met achterglasschilderen. In 1906 verhuisde hij definitief naar München en huwde de pianiste Lily Stumpf, in 1907 kregen ze een zoon. Klee nam grotendeels het huishouden en de zorg voor de kinderen op zich. In 1908 werd hij lid van de Zwitserse vereniging voor grafische kunstenaars, stelde tentoon in de Münchener Secession, de Berlijnse Secession en in het Glazen Paleis van München. Op aanraden van Alfred Kubin, die zijn vriend en eerste verzamelaar werd, illustreerde hij Voltaire’s Candide, wat een groot deel van zijn leven in beslag nam. Via Kubin kwam hij bij de kunstcriticus Hausenstein en richtte mee de kunstvereniging “Sema” op. Hij ontmoette Macke en Kandinsky en trad toe tot “Der blaue Reiter”. Anderen waren Münter en von Werefkin. In 1912 bezocht het koppel de Kahnweiler-galerij en de collectie Wilhelm Uhde, en ontmoetten ze Le Fauconnier, Karl Hofer en Delauney, die ook raamschilderingen toonde. Hij exposeerde aquarellen op de Eerste Duitse Herfstsalon van Berlijn in 1913. Met Macke en Moilliet trok Klee een paar maand door Tunesië, waarbij ze veel schilderden. Klee was mee oprichter van de “Neue Münchener Secession”, een fusie van vier andere verenigingen. Hun eerste tentoonstelling was in 1914. Kort daarop brak WO I uit. Macke sneuvelde in september. Maart 1916 werd Klee opgeroepen als Landsturm-soldaat in het Beierse leger, terwijl hij schilderijen maakte om de oorlog af te wijzen. Die dag dat hij de oproep ontving, sneuvelde zijn vriend Franz Marc. Januari 1917 werd hij vrijgesteld, om dienst te kunnen doen als penningmeester in een vliegschool, waardoor hij in een kamer buiten de kazerne kon schilderen. Galerie Der Sturm hield in 1916 en 17 tentoonstellingen, met ook werken van Klee.
Via Jawlensky ontmoette Klee in 1919 Galka Scheyer, die de “Blue Four” tentoonstelde in de VS. In 19 werd hij actief lid van de “Kunstenaars en het Actiecomité van Revolutionaire Kunstenaars van München” van een Sovjetrepubliek in München. Toen die werd onderdrukt moest Klee vluchten. Hij kwam terecht in Zürich en leerde er de kunstenaars van de dada-groep kennen. In 1919 werkte hij onder contract van kunsthandelaar Hans Goltz, en bleef dat tot 1925. In zijn galerij was zijn eerste solo-tentoonstelling in 1920, met 371 werken. In 1920 werd hij benoemd tot meester in de boekbinderij aan het Staats-Bauhaus in Weimar, in 21 gaf hij er les. Zijn veertienjarige zoon werd de jongste student van Bauhaus. In 21 nam hij deel aan de groepstentoonstelling van de Société Anonyme in New York. In 22 nam Klee aan het Bauhaus de leiding over de werkplaatsen voor goudsmeden, zilversmeden, kopersmeden en glasschilderkunst. In 23 had hij een solotentoonstelling in de Nationale Galerij van Berlijn, en in 24 via de Société Anonyme in New York. In 24 richtte hij de kunstenaarsgroep “Die Blaue Vier” op, en exposeerde in de VS en in Bauhaus-kringen. In 25 had hij in Parijs een solotentoonstelling en deed mee aan de eerste surrealistische tentoonstelling met Ernst, Arp, de Chirico, Picasso, Roy en Masson, hoewel hij nooit tot de groep hoorde. In 26 verhuisde het Bauhaus voor politieke reden naar Dessau, het gezin Klee deelde er een huis met het gezin Kandinsky. In 28-29 trok hij door Egypte, gesponserd door de “Klee Society” van kunstverzamelaar Otto Ralfs. Door het nationaalsocialisme kwam er steeds meer conflict tussen hem en het Bauhaus. In 31 werd hij daarom liever hoogleraar aan de Kunstacademie van Düsseldorf. Hij pendelde over en weer naar Dessau tot hij er in 33 ging wonen. Bij zijn collega’s waren Mataré, Campendonk en Heuser. Hij werkte slechts met vier leerlingen. Het grote werk “Ad parnassum” (1932) is uit die tijd. Na 33 moest hij voor het nazisme zijn “Arische afkomst” bewijzen, wat hij niet wou, hij werd tot de “ontaarde kunstenaars” gerekend en zonder opzeg ontslagen. Het echtpaar emigreerde naar Zwitserland nadat ze hun meubels en schilderijen hadden opgestuurd, en trokken in bij zijn ouders in Bern. Kahnweiler in Parijs kreeg het monopolie voor alle verkopen buiten Zwitserland. Naturalisatie kon toen niet, er werd vijf jaar verblijf geëist. In 35 kreeg hij bronchitis en sclerodermie, waardoor het werk stagneerde, maar vanaf 37 werkte hij terug volop, ondanks zijn beperkingen. Hij werkte veel met potlood, krijt en inkt met grote penselen. Op de tentoonstelling van “Degenerate art” in München hingen 17 werken van hem. 102 weken van hem werden door het bewind uit Duitse collecties gehaald en in het buitenland verkocht. De meeste kwamen in Amerika terecht. Ondanks een politierapport met uitdrukkigen als “belediging voor echte kunst”, “links politieke kunst”, “gepromoot door Joodse handelaars”, kreeg hij eind 39 toch toestemming voor Zwitserse naturalisatie. Die kwam er nooit omdat zijn gezondheid in april 1940 verslechterde. In februari 1940 had hij nog een eigen tentoonstelling in Kunsthaus Zürich. In mei vertoefde hij in een sanatorium, hij overleed in juni. Zijn nalatenschap bestond uit circa 6000 werken. |
| |

Paul Klee, Winterbild, 1930, gouache, watecolour, pen and black ink and silver foil collage on paper |
| |
| Kazimir Malevitsj (1879-1935) werd geboren als Kazimir Severinovich Malevich in Kiev, uit een Poolse familie, gevlucht na de Poolse opstand in 1863 tegen de Russische overheersing. Een oom was een van de leiders van die opstand. Kazimir was de eerste van veertien kinderen, waarvan er negen volwassen werden. Hij werd Pools, Russisch en Oekraïens opgevoed. Zijn vader was manager in diverse suikerfabrieken. In 89 gingen ze in de buurt van Charkov wonen. Hij volgde een landbouwschool en leerde zichzelf in boerenstijl schilderen. In 93 verhuisden ze naar de buurt van Konotop, hij volgde les op de Kiev School of Drawing onder Mykola Pymonenko. In 96 verhuisde het gezin naar Koersk waar Kazimir Russische schilders leerde kennen. Hij schilderde vaak buiten met Lev Kvachevsky. In 1899 ontmoette hij zijn eerste vrouw, acht jaar ouder. Zijn vader overleed in 1902. Na de Bloedige Zondag in 1905 bekwam de middenklasse beperkt stemrecht. Verdere opstanden werden militair onderdrukt. Zelf zei hij dat hij deelnam aan de “Slag om de barricaden” in Moskou in 1905.
Malevich vond zijn eigen werk steeds impressionistischer, via tijdschriften en privécollecties leerde hij de Franse schilders kennen, met Cézanne en Gauguin en later ook Picasso en Matisse. In 1906 vestigde hij zich met zijn familie in Moskou. Hij bezocht het atelier van Fedor Rerberg, maar de Moskouse School voor Schilderkunst, Beeldhouwkunst en Architectuur liet hem nooit toe. In 1907 maakte de Blauwe Rose Tentoonstelling van Moskouse symbolisten grote indruk op hem, duidelijk te zien in zijn werken. Er kwam ook een tentoonstelling van westerse avant-gardekunst met werk van Vincent van Gogh, Matisse, Braque, Gauguin en Cézanne. Sjtsjoekin stelde zijn collectie open voor publiek. In 1909 werd zijn reis naar Parijs geannuleerd omdat de verkoop van zijn werken tegenviel. Hij ontmoette zijn tweede vrouw Rafalovitsj. In 1910 nam hij deel aan de eerste van een reeks tentoonstellingen, Schurkenboer (of Boer van Diamanten), opgericht door Goncharova en Larionov van de Moskouse avant-garde. Omwille van financiën nam hij ook commerciële projecten aan. In 1911 nam hij deel aan de 2de tentoonstelling van de avant-gardegroep Sojoez Molodyozji (Unie van de Jeugd) in Sint-Petersburg, toen schilderde hij kubistisch. De oprichters van Schurkenboer richtten het collectief “Donkey’s Tail” op, gericht op een meer Russische kunst, primitivisme gericht op de Russische boerencultuur en volksbeelden. In 1912 nam Malevich deel aan hun expositie in de Ezelstraat in Moskou.
Tegen 1913 was de invloed van het Italiaanse futurisme op de Russische kunst al duidelijk. Hun manifest, geschreven door Marinetti, was in 1909 al gepubliceerd, de verheerlijking van de moderniteit, snelheid, dynamiek en provocatie. Ook Malevich nam hun viering van machines en geweld over. In 13 nam hij deel aan de Target-tentoonstelling, samen met Goncharova en Larionov. Hij beschreef zijn werken als “Cubo-futuristisch”. In Sint-Petersburg debuteerde de Cubo-futuristische opera “Overwinning op de zon”, kostuums en decors waren van Malevitsj, de muziek van Matjoesjin en gebaseerd op “zaum” ("transrationele taal”, waarbij uitgevonden geluiden en woorden gebruikt werden om de rede te omzeilen en “een hogere realiteit” op te roepen). Het beeldde de zon uit, die gevangen werd genomen en begraven, en de overwinning van het zwarte vierkant. De opvoering werd slecht onthaald. Op uitnodiging van Koebin stelde hij tentoon op de Salon des Indépendants. Door het uitbreken van WO I werd hij legerreservist, hij beeldde dat uit in zijn werk. Hij maakte ook propagandistische litho’s voor de deelname van Rusland aan de oorlog. In 1915 publiceerde hij zijn manifest met de grondslagen van het suprematisme, beroemde werken van toen zijn “Zwart vierkant” (1915) en “Wit op Wit” (1918).
Na de Russische revolutie (1917), tussen 1918 en 1919, werd Malevitsj lid van het Collegium voor de Kunsten van Narkompros, de Commissie voor de Bescherming van Monumenten en de Museumcommissie. Hij gaf les aan de Praktische Kunstschool van Vitebsk in Wit-Rusland naast Marc Chagall, de Leningrad Academie voor Kunsten, het Kiev Kunstinstituut en het Huis van de Kunsten in Leningrad. In 1922 werd door Lenin de USSR opgericht, in 23 werd Malevitsj benoemd tot directeur van het Petrogradse Staatsinstituut voor Artistieke Cultuur, dat in 26 verplicht was te sluiten, door dezelfde communistische partij veroordeeld als “contrarevolutionaire preken en artistieke losbandigheid”. De Sovjetstaat promootte vanaf toen zijn eigen “Sociaal Realisme”. Malevitsj zwom mee met de stroom en werd getolereerd.
In 1927 reisde hij naar Polen en ontmoette er Poolse schilders. Hij had een expositie in Warschau en trok hierna met de dichter en kunstcriticus Peiper naar Berlijn. In 27 nam hij deel aan de Grote Berlijnse Kunsttentoonstelling. Hij liet de meeste werken achter toen hij terugkeerde naar de Sovjet-Unie. Na de dood van Lenin en de val van Trosky keerde Stalin zich tegen alle vormen van abstractie. Malevitsj werd ontheven uit zijn posities en zijn werk werd in beslag genomen. In 1930 werd hij gearresteerd en ondervraagd, verdacht van Poolse spionage. In 34 werd het socialistisch realisme de enige toegestane vorm van artistieke expressie. In 1935 overleed Malevitsj aan kanker, zijn graf werd gemarkeerd met een zwart vierkant (verwoest in WO II). In nazi-Duitsland werd zijn werk verboden. |
| |

Kazimir Malevitsj, Woodcutter, 1912 |
| |
| Francis Picabia (1879-1953) werd geboren als Francis-Marie Martinez de Picabia, zoon van een Franse moeder en een Spaans-Cubaanse vader, in 1879, toen Spanje en Cuba in een kleine oorlog verwikkeld waren. Zijn vader speelde een rol in de Cubaans-Franse betrekkingen, hij werd later attaché bij de Cubaanse legatie in Parijs. Het gezin was welgesteld en moedigden een carrière in de kunst aan. Zijn moeder stierf echter aan tuberculose toen hij vijf was. Toen hij vijftien was kopieerde hij de Spaanse schilderijen van zijn grootvader en verwisselde ze met de originelen, die hij verkocht om zijn postzegelverzameling te financiëren. Hij was en bleef een rokkenjager, in 1897 vluchtte hij naar Zwitserland met een minnares en had tijdelijk geen contact meer met zijn vader. Eind jaren 90 begon hij zijn studies aan de École des Arts Décoratifs onder Cormon. Hij studeerde twee jaar bij Cormon, Humbert en Wallet. Vanaf 1899 leefde hij van zijn schilderkunst. Daarna erfde hij geld van zijn moeder en kocht elk jaar een andere sportwagen. In zijn leven bezat hij er uiteindelijk 127. Van 1903 tot 1908 schilderde hij kerkjes, steegjes, daken, rivieroevers, washuizen en schepen van Parijs in een impressionistische stijl. Critici vonden hem niet origineel, hij nam de stijlen over van Sisley, Monet en Signac. In 1909 veranderde zijn stijl onder invloed van een groep kunstenaars, die zich later verenigden tot de “Section d’Or”, de kubisten. Hij huwde Gabrielle Buffet, kunstcriticus en schrijfster, ze kregen vier kinderen (en scheidden in 1930). In 1911 had hij leden ontmoet van de Puteaux-groep in het atelier van Jaques Villon in Puteaux en sloot zich bij hen aan. Hij werd bevriend met Duchamps en Apollinaire. Bij de groep waren ook Gleizes, de La Fresnaye, Léger en Metzinger.
Picabia was enige kubist die de Armory Show in New York kon bezoeken, de anderen konden dat niet betalen. Hij had er vier werken hangen. De pers was er heel vijandig tegenover, maar Picabia werd veelvuldig geïnterviewd, omdat hij de enige beschikbare vertegenwoordiger van het kubisme was. Hij kreeg er ook een solotentoonstelling van Stieglitz in diens Galerij 291. Door de abstracte kunst te zien op de Armory show maakte hij nu zijn eigen abstracte werken. Van 1913 tot 1915 reisde hij vaak over en weer naar New York, ondanks de oorlog. In 1915 ging hij melasse kopen in Cuba voor een vriend van hem. New York was toen een tussenstop, maar hij bleef er werken en keerde pas terug naar Frankrijk na de oorlog. Toen was hij in zijn machinistische periode, waarmee hij een grote solotentoonstelling had in 1922. Het tijdschrift 291 wijdde een volle uitgave aan hem, hij ontmoette Man Ray, Gabrielle en Duchamps voegden zich bij hem. Door drugs en alcohol ging zijn gezondheid achteruit, hij had waterzucht en tachycardie. In 1916 was hij in een kleine kunstenaarsgemeenschap in Barcelona, met onder andere Gleizes, Laurencin, Sacharoff en de Delauney’s, en begon hij zijn dadaïstische tijdschrift “391”. In de VS zette hij het voort met de hulp van Duchamps. Toen hij in Zürich werd behandeld voor depressie en zelfmoordneiging, ontmoette hij Tzara. Terug in Parijs kwam hij er in Certa, een Baskische bar, samen met Breton, Éluard, Soupault en Aragon. Hij bleef tot 1919 betrokken bij de dada-beweging in Parijs en in Zürich. Toen hij interesse kreeg voor het surrealisme, keerde hij zich van dada af, in 1921 veroordeelde hij de beweging. In 1925 keerde hij terug naar de figuratieve schilderkunst en begon zijn “monster-periode”. Van 1927 tot 1930 maakte hij werken met beelden uit de renaissance gemengd met toenmalige populaire figuren. In de jaren 30 raakte hij goed bevriend met Gertrude Stein. In 1940 huwde hij Olga Mohler op de dag dat de nazi’s Parijs innamen. Hij verhuisde daarop naar Zuid-Frankrijk en schilderde er naakten gebaseerd op sextijdschriften. Via een Algerijnse handelaar kwamen zijn werken in bordelen terecht in gans Noord-Frankrijk. Vóór het einde van WO II trok hij terug naar Parijs, schilderde terug abstract en nam zijn poëzie terug op. In 49 kreeg hij een retrospectieve in de Galerie René Drouin in Parijs. Hij overleed in Parijs in 1953. |
| |

Francis Picabia, Fille née sans mère, 1916 |
| |
| Daniel Garber (1880-1958) werd geboren in North Manchester, Indiana. Hij studeerde kunst aan de Art Academy of Cincinnati, daarna van 1899 tot 1905 aan de Pennsylvania Academy of the Fine Arts in Philadelphia, onder Thomas Anshutz en William Merritt Chase. Hij huwde met een andere kunststudente, Mary Franklin. Traditioneel reisden ze samen naar Europa om hun kunstopleiding te voltooien, ze verdiepten zich er in oude meesters en toentijdse moderne schilders. Na hun terugkeer in 1907 vestigden ze zich in Cuttalossa, Pennsylvania. Hij werd een toegewijd docent aan de PAFA, met de nadruk op traditionele academische technieken. Van dat academische evolueerde hij naar een impressionisme met atmosferische effecten, zoals in “Tanis” (1915) of “De boomgaard” (1916). Hij schilderde plein air landschappen, en werkte ook als portretschilder, waarin hij traditie en impressionisme combineerde. Hij ontving tal van prijzen en onderscheidingen, zoals de Temple Gold Metal van PAFA, en een gouden medaille op de Panama-Pacific International Exposition in San Francisco in 1915. Hij werd vaak tentoongesteld en werd erg gewaardeerd. Hij bleef tot aan zijn dood schilderen in Bucks County, Pennsylvania. In 1913 werd hij verkozen tot lid van de National Academy of Design. Hij overleed door van een ladder te vallen in zijn atelier. |
| |

Daniel Garber, The valley Tohickon, 1914, oil on canvas |
| |
| Franz Marc (1880-1916) werd geboren als Franz Moritz Wilhelm Marc in München, als zoon van een landschaps-en genreschilder, uit een Beierse familie. Zijn moeder was een gouvernante uit de Elzas. Met zijn broer bezocht hij het Luitpold Gymnasium (nu vernoemd naar Einstein). Zijn vader bekeerde zich in 1895 tot het protestantisme. Als student leerde hij de werken kennen van Carlyle en Nietzsche. Daarna volgde hij filologie aan de Ludwig Maximilian Universiteit van München, na zijn verplichte militaire dienst. In 1901 begon hij de Academie voor Schone Kunsten in München onder Von Diez, strikt 19de-eeuws. Met een goed bemiddelde universiteitsvriend reisde hij in 1903 door Frankrijk. Hij schilderde in het Louvre, tekende op straat, kocht Japanse houtsnedes. Hij stopte met de Academie in München, verliet zijn thuis in 1904 en vestigde zich in een eigen atelier in Schwabing. Hij had een affaire met Annette, de vrouw van een hoogleraar indologie in München, zij schilderde ook. Via haar had hij opddrachten voor prenten, ze kocht ook boeken, houtsnedes en antiquiteiten uit zijn collectie. In 1906 stopte de affaire, ze bleven wel levenslang vrienden. Met zijn broer trok hij naar Griekenland, waar die een wetenschappelijke opdracht had in Athos. Daarna trok hij zich als schilder terug in Kochel, twee vriendinnen volgden hem, Maria Franck en Marie Schnür. Ze hadden een driehoeksverhouding. Hij koos uiteindelijk voor Marie en huwde in 1907, opdat ze haar zoon kon adopteren. Op zijn trouwdag reisde hij alleen naar Parijs om werken te zien van Van Gogh en Gauguin. Het jaar daarop werd hun huwelijk ontbonden, als gevolg van haar klacht van overspel met Maria.
In 1910 bezocht August Macke hem in zijn atelier, als gevolg van twee lithografieën in de kunstgalerij van Brakl. In 1912 maakten ze samen een muurschildering in Macke’s atelier. Koehler werd zijn beschermheer, zijn zoon had een aantal schilderijen naar zijn vader opgestuurd. Ze werden de basis van een grote collectie. Hij steunde de schilder, die in armoede leefde, in ruil voor werken. In 1910 had hij zijn eerste solotentoonstelling in kunstgallerij Brakl.
Daarna verhuisde Marc met Maria naar Sindelsdorf, ze woonden er tot 1914, en gaven beiden hun ateliers in München op. In 1911 reisden ze beiden naar Engeland om te trouwen, wat in Duitsland nog steeds niet kon. Of dit gelukt is, weten we niet, maar ze bleven als echtpaar samenwonen. Begin 1911 ontmoette hij Kandinsky en Münter in het atelier van Marianne von Werefkin. De maand erop werd hij benoemd tot derde voorzitter van de NKVM (Neue Künstlervereinigung München). In de herfst nam de spanning toe omdat Kandinsky’s werk “Compositie V, Het laatste oordeel” door de jury was afgewezen wegens te groot. Samen met Münter, Kandinsky en Kubin nam hij ontslag uit de vereniging. In de Thannhauser-gallerij stelden ze tentoon als “Der blaue Reiter”, terwijl op een verdieping hoger de NKVM exposeerde. Daarna reisde de expositie rond naar verschillende andere steden, ook Boedapest, Helsinki en Oslo. De tweede tentoonstelling van de Blauwe Ruiter was in 1912 in een boekenwinkel in München. Daar werd hij bevriend met Klee. Ze publiceerden hun almanac. Delauney’s nieuw werk, volledig abstract, beïnvloedde hem, maar hij nam het niet over. Juni 1913 kon hij toch burgerlijk huwen met Maria. Met 90 kunstenaars uit verschillende landen werkte hij mee met de organisatie van het “Eerste Duitse Herfstsalon” in Berlijn. In 1914 bekwam hij een huis in Ried bij Kochel am See in ruil voor dat van zijn ouders. Hij kocht ook een extra stuk grond en plaatste een omheining voor de herten die hij had gekocht. Met het uitbreken van WO I werden Macke en hij opgeroepen in het leger. Hij werd later luitenant bij de Landwehr. De eenheid werd naar Frankrijk overgebracht. Macke sneuvelde als reserveluitenant. Aanvankelijk was Franz Marc van mening dat de strijd gerechtvaardigd was, maar in 1915 noemde hij het “de meest verachtelijke val waarin we ons ooit hebben laten meeslepen”. In maart 1916 stierf hij als gevolg van granaatscherven op een verkenningstocht in de buurt van Braquis, bij Verdun. |
| |

Franz Marc, Das Äffchen, 1912 |
| |
| Max Pechstein (1881-1955) werd geboren in Zwickau in een arbeidersgezin. Als kind wou hij schilder worden, zijn vader zette hem in de leer bij een decoratieschilder. In 1899 ontmoette hij Alexander Gerbig in Dresden, die een levenslange vriend werd. Na de Staatsvakschool (1903-06) was hij meesterleerling van Otto Gussmann aan de Kunstacademie van Dresden. Hij ontwierp er glasramen, muurschilderingen en mozaïeken voor architecten. Hij ontmoette Kirchner en Heckel en sloot zich in 1906 aan bij “Die Brücke”, waar hij de enige academisch geschoolde schilder was. In 1907 ontving hij de Saksiche staatsprijs en reisde daarop naar Cinque Terra en naar Parijs. Vanaf 1908 woonde hij in Berlijn. In 1908-09 ontmoette hij Lotte Kaprolat, model van een beeldhouwer, zij werd zijn meest populaire model en in 1911 huwden ze. In 1913 kregen ze een zoon. In 1908 werd Pechstein ook lid van de Berliner Secession en in 1910 richtte hij de Neue Secession mee op. In 1911 werd hij niet herkozen. De kunstenaars van Die Brücke verlieten de Neue Secession en deden enkel nog mee aan tentoonstellingen. Omdat Pechstein ook nog exposeerde op de Berliner Secession werd hij in 1912 uit Die Brücke gezet. In 1909 ging hij voor het eerst schilderen op de landengte Koerse Spit, in het vissersdorp Nidden (Oost-Pruisen). Hij werd er lid van de kunstenaarskolonie Nidden en ontmoette er onder andere Bischoff-Culm en Mollenhauer in de herberg Blode. Hij schilderde het leven van de vissers, onderhield contacten met hen en ging mee vissen in de Koerse Lagune en de Oostzee. Tijdens zijn reis naar de Zuidzee in 1913-14 en in de oorlog schilderde hij, maakte etsen en litho’s.
In 1921 scheidde hij van Lotte en in 1923 huwde hij Marta Möller in Leba. Hij werd benoemd tot lid van de Pruisische Academie van Kunsten en tot hoogleraar. Door de nazi’s werd hij ontslagen in 1933. Toen de Pruisische Academie Heinrich Mann (schrijver, oudere broer van Tomas Mann) en Käthe Kollwitz royeerde, hielden Pechstein en zijn collega’s hun mond op de algemene vergadering. Sommige leden namen ontslag, Pechstein besloot te blijven. Hij bleef lid van de Berliner Secession vanwege hun tentoonstellingsruimte, hoewel ook daar leden de vereniging verlieten vanwege het nieuwe beleid. Hij was bereid tot compromissen met het beleid en pleitte voor samenwerking, de vereniging had schulden en hing af van staatssubsidies. In 1933 reeds beweerde Emil Nolde dat Pechstein Joods was, maar weerlegde zijn beschuldiging door documentatie van zijn “Arische” afkomst. Nolde verontschuldigde zich nooit bij Pechstein. (Ofschoon Nolde tot de ontaarde kunst werd gerekend, was hij een rassenhater.) In het najaar werd Pechstein’s oudste zoon lid van van de SA, zijn tweede zoon Mäki heeft hij verhinderd lid te worden van de Hitlerjugend. Pechstein was een van de expressionisten die bleven tentoonsgesteld worden, alhoewel bestempeld als “ontaarde kunst”. Zijn status bleef echter dalen en het gezin leefde van hun spaargeld. Daardoor besloot hij zich aan te sluiten bij de “Nationalsozialistischen Volkswohlfahrt” en de “Nationalsozialistischen Fliegerkorps”. In 1921 werd hij van de academie verwijderd. 16 van zijn werken werden belasterd op de tentoonstelling van “Entartete Kunst” en 326 werken werden in beslag genomen. Ook in 21 ontdekte hij het gebied rond de Lebasee in Pommeren, in 1922-23 de Garder See, en schilderde landschappen en de mensen die er werkten. In 1944 werd een groot deel van zijn werk door brand verwoest. In 1945 maakte hij de bezetting van Pommeren mee door het Rode Leger en werd hij gedwongen voor de bezettingsmacht te werken. Later dat jaar kon hij naar Berlijn vertrekken. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot professor aan de “Universität der Künste Berlin”. Hij leed aan tuberculose en stierf in 1955 in Schmargendorf aan maagkanker. |
| |

Max Pechstein, Herbstabend, 1927, oil on canvas |
| |
| Gustave Van de Woestyne (1881-1947) werd geboren in Gent als derde zoon van Alexander en zijn vrouw Antigona Sielbo. Zijn oudere broer Karel werd een dichter. Gustave volgde les aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent, en volgde les bij Jean Delvin. Toen hij zich in Sint-Martens-Latem vestigde, schilderde hij niet, hij legde zich toe op de hulpbehoevende en lijdende dorpelingen. Tot schilderen kwam het niet. In Gent woedde een hevige strijd tussen arbeiders, jonge intellectuelen en kunstenaars tegen sociale ongelijkheid. Er was een drang naar het mystieke. Van de Woestyne verbleef drie dagen in de trappistenabdij van Chimay, het lag hem niet. Twee jaar later, in 1905, was hij drie weken in het klooster van de Abdij Keizersberg, het strenge monastieke leven bleek zijn ding niet. In 1902 zag hij de tentoonstelling “Vlaamse primitieven” in Brugge en dat beïnvloedde zijn symbolistische schilderstijl. Net als Pieter Brueghel de Oude situeerden zijn werken zich vaak in de Leiestreek. Zijn werken waren religieus of symbolistisch, zijn schilderijen hebben vaak een overvloed van licht, alsof ze een “verschijning” waren. In 1906 zei hij “Mijn leven zal in het teken staan van de beschouwende creativiteit.” In 1908 stierf zijn vader en huwde hij een boerendochter, Prudence De Schepper, ze kregen zes kinderen, één ervan overleed na een maand. Zijn zoon Maxime werd ook schilder. In Latem leerde Gustave de beeldhouwer George Minne kennen en de schilders Valerius de Saedeleer, Albijn Van den Abeele, de schrijver De Praetere en nog vele andere kunstenaars, waar ze de eerste groep vormden, ook de “Latemse School” genoemd. Hij kon deelnemen aan tentoonstellingen in Amsterdam, Den Haag en Venetië, en bij de “Libre esthétique” in Brussel. Tot 1909 woonden ze in Latem, toen de eerste symbolistische groep werd ontbonden. Het gezin verliet Sint-Martens-Latem. Ze woonden in Leuven, Etterbeek en daarna in Tiegem met De Saedeleer. Eveneens met De Saedeleer bezocht hij Firenze. In 1914 ontvluchtten zij samen de oorlog en trokken naar Wales. Daarna ging hij in het dorp wonen waar Georges Minne verbleef. In 1915 en 16 reisde hij regelmatig naar Londen, tot hij in 1917 besloot er te gaan wonen. Hij maakte naam in Londen, vooral als portretschilder, mede door de steun van het Nederlandse echtpaar De Graaff-Bachiene. De stad beviel hem zo, dat hij in 1918 twijfelde of hij wel naar België zou terugkeren. Zijn stijl was schetsmatiger, krachtiger, soms expressieve toetsen. In 1919 werd Gustave ziek en besliste Karel om samen naar Sint-Martens-Latem te verhuizen.
Na de oorlog ging hij in Waregem wonen. In 1925 verhuisde hij naar Mechelen en was er directeur van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en was tegelijk ook docent in Antwerpen aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten. Van 1928 tot 31 gaf hij ook monumentale kunst in Brussel. Hij stelde in 1925 tentoon in Le Centaure en in 29 kreeg hij een solotentoonstelling in het pas opgerichte Paleis voor Schone Kunsten. In 1926 deed hij mee aan “L’Art Belge” in Grenoble. Met Gustave De Smet en Frits Van den Berghe was hij in de kunstkring “Les 9” en “Les Compagnons de l’Art”. Hij maakte veel werken in opdracht van het echtpaar Van Buuren, mecenassen vanaf 1928. Zijn schilderstijl was na zijn terugkeer meer expressionistisch. In 1909 hij “Reinaert de Vos”, een bewerking van Stijn Streuvels.
Bijna niemand mocht zijn huis betreden. Als hij iemand zag naderen, ging hij een ommetje maken. Over de schilder zegt hij ”Iedere herinnering aan het vorige werk moet uit zijn geheugen verbannen worden. Ieder werk is een herbeginnen. Indien twee werken op elkaar lijken, dan is het stiel en geen kunst.” |
| |

Gustave Van de Woestyne, Het voorjaar |
| |
| Albert Gleizes (1881-1953) werd geboren als Albert Léon Gleizes in Parijs, de zoon van een textielontwerper met een grote werkplaats voor industrieel ontwerp. Zijn neef Léon Comerre had in 1875 de Prix de Rome gewonnen. Hij spijbelde vaak en dwaalde rond op de begraafplaats. Na zijn middelbaar diende hij 4 jaar in het 72ste infanterieregiment, waarna hij rond 1901 een carrière begon als impressionistische schilder, zonder opleiding. Zijn eerste landschappen waren uit de streek rond Coubevoie, en geïnspireerd op Pissarro of Sisley, met elementen uit het divisionisme. In 1902 werd zijn “La Seine à Asnières” tentoongesteld bij de Société Nationale des Beaux-Arts, in 1903 had hij twee werken op de Salon d’Automne. In 1906 exposeerde hij in het Salon de la Société Nationale des Beaux-Arts in Lyon. Rond 1907 werd zijn werk meer postimpressionistisch met naturalisme en symbolisme. Samen met anderen richtte hij het “Abbaye de Créteil” op, een zelfvoorzienende gemeenschap van kunstenaars zonder commerciële belangen. Bijna een jaar kwamen dichters, schilders, schrijvers en muzikanten er samen, maar door geldgebrek moesten ze de locatie opgeven begin 1908 en verhuisden ze naar Montmartre. Gleizes’ stijl werd even wat kleuriger, daarna synthetischer, geometrischer in facetten met verzwakte kleuren. Hij exposeerde op de Toison d’Or in Moskou. Vanaf 1910 vormden veel schilders en schrijvers een groep die bijeenkwam in het atelier van Le Fauconnier. Gleizes nam deel aan de 26ste Salon des Indépendants, negatief beschreven door Apollinaire als “La déroute de l'impressionnisme” en aan het Salon d’Automne. In 1911 exposeerde hij op de Indépendants in zaal 41 samen met Metzinger, Delaunay, Le Fauconnier en Léger waar het kubisme voor het eerst tot het grote publiek was gebracht en een schandaal teweegbracht. Picasso en Braque exposeerden liever in een privégallerij in beperkte kring. Een criticus schreef “Metzinger zelf schilderde naakten die eruitzien als puzzels, waarvan de stukjes kubussen van verschillende groottes zijn. F. Léger, die originaliteit miste, gebruikte kachelpijpen als middel om de menselijke figuur weer te geven… De andere, van wie ik de naam nooit heb kunnen raden, gebruikt kleine schaakbordjes, grijs en wit, wit en zwart, grijs en bruin, roze en zwart, en schilderde een Eiffeltoren die op de grond geflankeerd werd, ongetwijfeld om huizen te verpletteren die, terwijl ze de cancan dansten, hun schoorstenen door de ramen staken.”
Op de Indépendants van 1912 hing Gleizes’ “Les Baigneuses”, maar de expositie werd bekend door het werk “Nude descending a staircase” van Duchamps, dat zelfs bij de kubisten een schandaal veroorzaakte, Duchamps verwijderde het schilderij kort vóór de opening. Daarna kwam in Barcelona de eerste Spaanse kubistische tentoonstelling, in de Galeries Dalmau, vervolgens in Moskou, Rouen en in 1912 in de Galerie de la Boétie in Parijs. In 1911-12 schilderde hij eenzelfde object vanuit diverse gezichtspunten, de techniek van de relatieve beweging, zoals in het monumentale “Le Dépiquage des Moissons” (1912) of van Delaunay’s “La ville de Paris”. De kubistische bijdrage aan het Salon d’Automne van 1912 veroorzaakte een controverse in de Parijse gemeenteraad, met een debat over het aanwenden van publieke locatie voor dergelijke barbaarse kunst. Daardoor publiceerden Gleizes en Metzinger een essay ter verdediging van het kubisme “Du Cubisme” in 1912, ook vertaald in het Engels en het Russisch. Ze schreven dat het perspectief met meerdere gezichtspunten een betere weergave was van de realiteit, omdat de wereld beweeglijk was en veranderde in de tijd. Het was voor Gleizes ook niet de bedoeling de visuele realiteit weer te geven, die kennen we toch niet, we kennen enkel onze gewaarwordingen. In februari 1913 werd de nieuwe Europese stijl getoond aan het Amerikaanse publiek in de Armory Show in New York, dat officieel “International Exhibition of Modern Art” heette, daarna in Chicago en Boston.
Toen WO I uitbrak meldde Gleizes zich bij het leger. Als taak kreeg hij opdracht vermaak te organiseren voor de troepen. Met Cocteau en Valmier ontwierp hij decor en kostuums voor “Een midzomernachtsdroom” van Shakespeare. Na ontslag uit het leger in 1915 verhuisde hij met zijn nieuwe vrouw Juliette Roche, dochter van een invloedrijke politieker, naar New York, waar ze ook regelmatig Picabia zagen, Ray, Duchamps en Crotti. Dit was de periode van de ‘readymades’ van Duchamps, zoals een urinoir die hij tot een kunstwerk had benoemd, niet naar de zin van Gleizes, die scènes uit de jazzmuziek schilderde, wolkenkrabbers, lichtreclames en Brooklyn Bridge. Gleizes ontmoette Davis, Weber en Stella, en stelde tentoon met Duchamps, Crotti en Metzinger, die in Parijs bleef. Ze trokken in 1916 naar Barcelona waar Gleizes zijn eerste solotentoonstelling had in Galeries Dalmau. In 1917 reisde hij met zijn vrouw naar Bermuda en schilderde er landschappen. Na de oorlog keerden ze terug naar Frankrijk, waar hij bij de “Unions Intellectuelles Françaises” was en lesgaf via schrijven. In de kunstwereld was er een sterke tegenkanting tegen de kubistische constructies en het intellectualisme errond, daartegenover stond de anarchistische dada-beweging, terwijl de Salons werden gevuld met een terugkeer naar het classicisme. Gleizes organiseerde een grote reizende tentoonstelling, de “Exposition de la Section d'Or” in 1920, maar groot succes bleef uit. Terwijl Gleizes vond dat het kubisme nog in zijn beginfase was, vonden jonge kunstenaars het achterhaald. In 1922 publiceerde Gleizes “Du cubisme et des moyens de le comprendre”, gevolgd door “La Peinture et ses lois”, met zijn kubistische theoriëen van translatie en rotatie. In deze jaren werkte hij aan een heel abstracte vorm van kubisme. Hij hield zich bewust ver van de Parijse kunstwereld, en werd toen al voorgesteld als een grote kunstenaar van het vooroorlogse kubisme, en niet van zijn volgehouden eigen richting.
In 1924 openden Gleizes, Léger en Ozenfant de “Académie Moderne”. In 1927 stichtte Gleizes een kunstenaarskolonie, de Moly-Sabata in Sablons in de Ardèche. In 1929 maakte Gleizes deel uit va het comité Abstraction-Création, een forum voor internationale non-figuratieve kunst, een tegenbeweging voor de surrealistische groep van Breton. Zijn schilderijen, die zijn theoriën van translatie en rotatie moesten illustreren, waren bevolkt door geometrische figuren, die figuratieve beelden opriepen. Rosenberg was er erg onder de indruk van en dit resulteerde in een vriendschap en correspondentie tot laat in de jaren 30. In 1937 werkte Gleizes samen met Léger en Survage aan de paviljoenen op de Wereldtentoonstelling van Parijs. Grote panelen die hij maakte samen met Villon voor de École des Arts et Métiers werden door de schoolleiding afgewezen wegens te abstract. Gleizes maakte ook religieuze werken, hij beschouwde zichzelf reeds als katholiek in de jaren 20, maar pas in 1942 trad hij officieel toe. Ook in WO II schilderde hij zijn abstracte werken verder onder de bezetting. Omdat er geen doek beschikbaar was, schilderde hij op jute dat hij prepareerde met een mengsels van lijm en verf. In 52 voltooide hij zijn laatste grote werk, “Eucharistie”, een fresco voor de jezuïetenkapel in Chantilly. |
| |

Albert Gleizes, La mère et la soeur de l'artiste, 1914 |
| |
| Leo Gestel (1881-1941) werd geboren als Leendert Gestel, zoon van een huisschilder en directeur van de Woerdense Avondteekenschool, die hem les gaf. Hij volgde opleiding tot tekenleraar in de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijzers in Amsterdam, daarna avondlessen aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten bij Allebé en Van der Waay. In 1904 had hij een zolderatelier waar kunstenaars en intellectuelen elkaar ontmoetten. Zijn vrienden noemden hem Leo naar Leonardo da Vinci. Hij verdient bij met illustraties en reclameopdrachten. Hij maakte zijn eerste reis naar Parijs en volgde de Franse neo-impressionisten en pointillisten en schilderde steeds meer buiten. Zijn eigen luminisme in Woerden en Nijmegen neigde naar de fauvisten. In 1910 reisde hij de tweede keer naar Parijs. Bij zijn terugkeer ontmoette hij An Overtoom, die model voor hem was en met wie hij trouwde in 1922. In 1912 ontmoette hij Boendermaker die zijn vriend bleef. Hij schilderde portretten, landschappen en stillevens in een eigen vorm van kubisme. In de oorlog verbleef hij bij de Boendermakers, An, en de schilders Mommie Schwarz en Else Berg op Mallorca. Aan de Belgische grens schilderde hij vluchtelingen. In 1916 had hij een rondreizende tentoonstelling waarop werken werden verkocht voor hen, met groot succes. In 1919 schilderde hij polderlandschappen nabij Alkmaar en dierenfiguren in de Beemster in expressionistische stijl. In 1921 vestigde hij zich in Bergen, waar ook Le Fauconnier, Colnot, Van Wijngaerdt en anderen schilderden in een donkere, expressionistische stijl, sober en in brede stroken. Hij trok soms naar Sint-Martens-Latem. In 1923-24 maakte hij een lange reis naar Dresden en Sicilië. Tussen 1925 en 27 had hij een huwelijkscrisis en woonde in Vlaanderen, waar zijn werk vlakker en gestileerder werd, onder invloed van Permeke en De Smet. In 1929 verwoeste een brand zijn atelier, veel van zijn werken gingen verloren, waaronder 400 werken die klaar stonden voor een tentoonstelling. Daarna verhuisde hij naar Blaricum en werkte hij nog enkel in krijt, gouache en tempera. ´s Zomers schilderde hij vaak op het strand in Zandvoort. Vanaf 1918 had hij een maagkwaal waaraan hij overleed in 1941. |
| |

Leo Gestel, Positano, 1924, oil on canvas |
| |
| Umberto Boccioni (1882-1916) werd geboren in Reggio Calabria, als zoon van een prefectuurbeambte, die voor zijn dienst telkens naar een andere Italiaanse stad moest verhuizen. Na zijn basisschool verhuisden ze naar Forli, vervolgens Genua en Padua. In 1897 splitste het gezin zich, Umberto en zijn vader verhuisden naar Catania in Sicilië, zijn moeder en zus bleven in Veneto. Hij behaalde een diploma technische opleiding, werkte mee aan lokale kranten en schreef zijn eerste roman, “Pene dell’anima” in 1900. In 1901 verhuisde hij terug naar Rome, mee met zijn vader. Hij werd verliefd op een dochter van zijn tante. Hij leerde schilderen in het atelier van een affichekunstenaar en ontmoette zo Gino Severini, met wie hij Giacomo Balla bezocht, toen nog een divisionistische schilder. Hij, Gino en Sironi, leerling van Balla, werden levenslang bevriend. In 1903 schilderde hij zijn eerste werk, “Campagna Romana o Meriggio”. Met hulp van zijn ouders kon hij naar Parijs reizen in 1906, daarna naar Rusland datzelfde jaar. In Parijs ontmoette hij Augusta Popoff, ze kregen een zoon in 1907. Datzelfde jaar schreef hij zich in bij het Koninklijk Instituut voor Schone Kunsten in Venetië. Hij ging terug naar Rusland en naar München. Hij tekende, schilderde en graveerde. Nog in dat jaar trok hij naar Milaan, werd bevriend met Romani, bezocht Previati en werd lid van de Permanente, de “Vereniging voor Schone Kunsten en Permanente Tentoonstellingen”, een morele, artistieke en culturele vereniging in Milaan, opgericht in 1883.
In 1910 werd in Turijn voor het eerst het “Manifest van Futuristische Schilders” van Marinetti voorgelezen waaraan Umberto had meegewerkt, en werd het “Futuristische Schilderkunst, technisch manifest” door hem ondertekend, samen met Carrà, Russolo, Balla en Severini, tegen de figuratieve tradities en met de hedendaagse wereld als thema, dynamisch, levendig en voortdurend in ontwikkeling. Zijn onderwerpen werden de stad, machines en chaos. Ofschoon hij duidelijk kubistisch werkte, verzette hij zich tegen het statische, vermeed rechte lijnen en gebruikte complementaire kleuren. Werken zoals “Dynamiek van een fietser” (1913) tonen opeenvolgende tijdsfases, zoals de veranderende beelden van een film. In zijn beeldhouwwerken verving hij liefst marmer en brons door hout, ijzer of glas. Weinig van zijn sculpturen zijn bewaard gebleven. In april-mei richtte hij een tentoonstelling op, samen met Nebbia, Carrà, Ravizza, het “Eerste Paviljoen van de Vrije Kunst” in Milaan. In 1912 schilderde hij “Materia” en begon een periode van intense studies tot aan de publicatie van zijn belangrijkste essay “Futuristische schilderkunst en beeldhouwkunst”, waarin theorieën van de filosoof Henri Bergson grote invloed had.
In 1915 mengde Italië zich in WO I. Boccioni meldde zich vrijwillig voor de strijd als lid van het “Nationale Vrijwilligerskorps voor Wielrenners en Automobilisten”, maar werd niet ingezet. In 1916 was hij samen met de componist Busoni te gast bij de markiezen Della Valle di Casanova aan het Lago Maggiore. Daar zag hij dagelijks Vittoria Colonna Caetani, die in een huis met tuin logeerde op een klein eiland en de Casanova’s bezocht omwille van het nieuwe portret van Busoni. Tweemaal was hij te gast bij haar. Hij had haar laatste brief in zijn portemonnee toen hij in augustus 1916 overleed in het militaire ziekenhuis van Verona ten gevolge van een val van zijn paard bij een militaire oefening. |
| |

Umberto Boccioni, La città che sale, 1910, oil on canvas |
| |
| Pavel Filonov (1883-1941) werd geboren als Pavel Nikolajevitsj Filonov als zoon van een boer uit het dorp Renevka (Tula). Toen het gezin in 1880 naar Moskou verhuisde, kregen ze een familienaam, Filonov, zijn vader was er koetsier en chauffeur, zijn moeder wasvrouw. In 1896 stierf zijn moeder aan tuberculose. In 1897 verhuisde hij naar Sint-Petersburg, leerde schilderen en werkte daarna in de schildersbranche. Tegelijk volgde hij nog tekenlessen, en vanaf 1903 studeerde hij privé bij Lev Dmitriev-Kavkazsky. Daarna probeerde hij driemaal toegelaten te worden in de Kunstacademie. Vanaf 1908 mocht hij “toehoorder” zijn, in 1910 stopte hij, en schilderde hij wat hijzelf zijn eerste werk noemde. Hij nam deel aan diverse tentoonstellingen en evenementen. In 1912 schreef hij zijn “Canon en Recht”. Zijn eigen vorm van kubisme beschreef hij als “anti-kubisme”. Na reizen naar Italië en Frankrijk onwierp hij theaterdecors, en schreef zijn “Izbornik” met eigen illustraties, in 1915 dito met een eigen gedicht. Hij werd bevriend met Khlebnikov, met wie hij verwantschap toonde. Filonov werkte ook mee aan litho’s voor de futuristen. In 1914 publiceerde hij met andere kunstenaars een manifest “Een intieme werkplaats van schilders en tekenaars, Gemaakte schilderijen”, de eerste gedrukte verklaring voor wat hij de analytische kunst noemt. In 1915 maakte hij zijn eerste werk van de cyclus “De Wereldboei betreden”, bijna volledig abstract, waarùmee hij pionier werd van de Russische avant-garde.
In 1916 werd hij gemobiliseerd en naar het Roemeense front gestuurd. Hij nam ook actief deel aan de revolutie van 1917 en was voorzitter van het Uitvoerend Militair Revolutionair Comité in Izmail. In 1918 keerde hij terug naar Petrograd (Sint-Petersburg) en nam deel aan “Eerste Vrije Tentoonstelling van Werken van Kunstenaars van Alle Stromingen” in het Winterpaleis, met zijn cyclus “De Wereldboei betreden”, waarvoor hij geprezen werd. In 1918-19 schilderde hij “Formule van de Kosmos”, volledig abstract. In 22 schonk hij twee werken aan het Russisch museum en probeerde hij de Kunstacademie te herorganiseren, maar vond geen steun voor zijn ideeën. In de jaren 20 richtte hij zijn eigen academie op met het collectief van “Meesters in de analytische kunst”. In 1929 was een grote retrospectieve gepland in het Russisch Museum, maar het werd door de Sovjetregering verboden. Vanaf 1932 leed hij extreme armoede, maar bleef weigeren zijn werken aan particuliere verzamelaars te verkopen. Hij wou zijn hele collectie schenken aan het Russisch Museum om er een “Museum voor Analytisch Realisme” op te richten. Filonov’s techniek bestond erin dat objecten en composities moesten opgebouwd worden uit kleine details en fragmenten, elke poging in tegenovergestelde richting bestempelde hij als kwakzalverij. Daarvoor eiste hij van zijn leerlingen de fijste borstels en de scherpste potloodpunten. In de jaren 30 werd hij en zijn leerlingen beschuldigd van “formalisme”, onderhevig aan hevige vervolging. Kuptsov, een aanhanger van de school, pleegde zelfmoord. Filonov leed honger maar bleef toch gratis lesgeven. Hij schilderde met olieverf op papier of karton omdat hij geen doeken meer kon permitteren. In 1932 illustreerde hij het epos Kalevala, samen met de andere kunstenaars van de MAI-groep, onder zijn leiding, strikt volgens de principes van zijn analytische methode. Op 3 december 1941 stierf Filonov van honger in het belegerde Leningrad (Sint-Petersburg). |
| |

Pavel Filonov, Het feestmaal der koningen, 1913 |
| |
| Frits Van den Berghe (1883-1939) werd geboren als Frederik Van den Berghe in Gent als zoon van de secretaris van de Gentse Universiteitsbibliotheek. Vanaf 1898 volgde hij academie in Gent, met Léon De Smet en Albert Servaes als klasgenoten. In 1902 betrokken ze samen een atelier, maar met zijn vriend Robert Aerens trok Van den Berghe dat jaar al naar Sint-Martens-Latem. Met Servaes woonde hij nog samen tot 1904, in 1908 woonde hij 's zomers in het dorp, 's winters in Gent. Hij werd docent aan de Gentse academie en werd voorgoed bevriend met Paul-Gustave van Hecke en André De Ridder. In 1907 huwde hij Elvira Van Houtte, ze kregen later twee dochters. Zijn gezin en zijn carrière werden geremd door een verhouding met de actrice Stella van de Wiele.
Kort voor de oorlog trok hij met zijn vriendin naar de VS, maar kwam zwaar ontgoocheld terug. Toen de oorlog uitbrak vluchtte hij met Gustave De Smet naar Nederland, spoedig gevolgd door De Ridder. De Nederlandse schilder Leo Gestel zorgde voor hen. Zijn stijl was nu expressionistisch. Hun eerste grote expositie in Nederland was in 1916. Politieke discussies en de Vlaamse cultuurstrijd namen meer tijd in beslag dan hij kon schilderen. Ze wisselden Amsterdam voor Blaricum, later voor Laren, waar hij ook Henrich Campendonck leerde kennen. Met De Smet en Jozef Cantré vormden ze een kolonie “Klein Gent”. In 1919 koos hij ervoor zich volledig aan de schilderkunst te wijten. Hij veranderde zijn stijl van een symbolistisch impressionisme tot een expressionistisch kubisme, wat hem beter leende zijn symbolisme te behouden.
In 1920 was Van den Berghe onder contract bij de Brusselse galerij Sélection, later via Schwarzenberg aan de galerij Le Centaure. Na een kort verblijf bij Permeke in Oostende trok hij in 1922 naar Bachte-Maria-Leerne. Een jaar later was hij met De Smet in villa Malpertuis van Paul-Gustave van Hecke. Vanaf ca 1925 werd zijn stijl meer gevoed door het surrealisme, dat het onbewuste wil doen spreken, zijn werken werden als dromen, bevreemdend. Vanaf 1928 liet hij zijn fantasie de vrije loop, zonder kubistische compositie. Hij werkte met lijnen, vlekken en kleuren. Heksen, demonen en monsters doemen op, of wezens uit mythen en sagen. In 1927 had hij een solotentoonstelling in 1927 in Le Centaure,in 28 in van Hecke’s Galerie L’Époque en in 31 terug in Le Centaure.
In 1931-32 gingen zijn belangrijkste broodheren failliet. De verzamelingen van De Ridder, Van Hecke en Schwarzenberg werden per opbod en zonder limiet verkocht. 106 topwerken van Van den Berghe werden voor een habbekrats geveild. De conservatieve pers greep de kans om daarmee het einde van het expressionisme aan te kondigen. Hij trok zich terug uit het kunstleven en ging als illustrator werken bij de socialistische uitgeverij Het Licht te Gent. In 1933 organiseerde de Gentse Socialistische Studiekring een dubbeltentoonstelling samen met Cantré. Alice Manteau organiseerde een kleine expostie. In 1939 kwam een officiële erkenning en werd hij voorgedragen voor het directeurschap van de Gentse academie maar in datzelfde jaar overleed hij. |
| |

Frits Van den Berghe, La Lys, 1923 |
| |
| Gino Severini (1883-1966) werd geboren in een arm gezin in Cortona in Italië, als zoon van een lagere hofbeambte en een naaister. Toen hij vijftien was, werd hij met een groep klasgenoten verwijderd uit het Italiaanse schoolsysteem vanwege poging tot diefstal van examenpapieren. Hij werkte een tijd bij zijn vader, in 1899 verhuisde hij met zijn moeder naar Rome, werd scheepsbeambte en schilderde in zijn vrije tijd. Met hulp van een Cortonese mecenas kon hij kunstlessen volgen en volgde ook de gratis school voor naakstudies en een privé-academie. Zijn kunstopleiding eindigde na twee jaar omdat zijn mecenas de toelage stopzette, hij verweet hem “gebrek aan orde”. In 1900 leerde hij Boccioni kennen en samen bezochten ze het atelier van Balla en leerden zo het divisionisme kennen. Over zijn verhuis naar Montmartre in 1906 zei hij “ik ben fysiek in Cortona geboren, intellectueel en geestelijk in Parijs”. Zijn atelier was er naast die van Dufy, Braque en Valadon, en hij werd er bevriend met Modigliani. Hij kende Metzinger, Gleizes, Gris, Picasso, Lugné-Poe en zijn theater, en de dichters Apollinaire, Fort, Jacob en Romains. De verkoop van zijn werk diende hij aan te vullen met toelages van mecenassen.
In 1910 ondertekende hij, samen met Balla, Boccioni, Carrà en Russolo, het Manifest van de Futuristische Schilders en het Technisch Manifest van de Futuristsiche Schilderkunst, hij was voor de groep de brug met Franse schilders. Na een bezoek aan Parijs in 1911 namen de futuristen een kubistische stijl aan, maar met veel dynamiek. Hun eerste buitenlandse tentoonstelling was in Parijs in 1912, waar Severini een frequente bezoeker was van cabarets. In 1913 huwde hij Jeanne Fort, ze kregen drie kinderen. Eveneens in 1913 had Severini een solotentoonstelling in Londen en in Berlijn. Door de expositie in Londen sloot de Britse Nevinson zich bij hen aan. Hij schreef dat Apollinaire hen bespotte door hun pretentie, provincialisme en hun onkunde in moderne kunststromingen. Severini had het niet zo voor machines, hij schilderde stadscènes en dans. Tijdens WO I schilderde hij oorlogscènes. Door de oorlog ruilde hij zijn futurisme voor naturalisme. Door de naoorlogse “terugkeer naar orde” schilderde hij “neo-klassieke” stillevens met toepassing van de gulden snede, en koos ook onderwerpen uit de commedia dell’arte. In die trant schilderden toen ook Picasso, Derain en De Chirico, en het verkocht goed. In 1920 kwam hij tot een synthese in zijn “kristalkubisme”. In 1921 kreeg hij opdracht voor muurschilderingen in een kasteel, en publiceerde hij zijn “Du cubisme au classicisme: Esthétique du compas et du nombre”. In 1923 en 24 nam hij deel aan de biënnale van Rome, exposeerde in Milaan met kunstenaars van de Novecento Italiano, in 1930 exposeerde hij op de biënnale van Venetië, in 1935 won hij de eerste prijs voor schilderkunst en stelde ook tentoon in Parijs. Hij experimenteerde met fresco- en mozaïektechnieken in maakte muurschilderingen in Zwitserland, Frankrijk en Italië. In de jaren 40 schilderde hij in semi-abstracte stijl en in de jaren vijftig keerde hij terug naar zijn futurisme met dansers, licht en beweging. Terwijl hij verder werkte aan mozaïeken en decoraties nam hij ook deel aan de tentoonstelling “The futurists, Balla-Severini 1912-1918” in New York. Hij kreeg een solotentoonstelling in de Accademia di San Luca en ontving van hen de “Premio Nazionale di Pittura”. In 1946 publiceerde hij een autobiografie, “Het leven van een schilder”. Hij overleed in 1966 in zijn huis in Parijs. |
| |

Gino Severini, Red cross train passing a village, 1915, oil on canvas |
| |
| Albert Servaes (1883-1966) verkende rond 1899 de Leiestreek. Hij was een zestienjarige handelsreiziger in kruidenierswaren. In 1904 verhuisde hij naar de streek van Sint-Martens-Latem en deelde er een huisje met Fritz Van den Berghe op de Brakel. Als atheïst kreeg hij daar hevige religieuze interesse. Zijn religieus fanatisme botste met het atheïsme van Van den Berghe en Servaes trok in bij Doorke Malfait, een keuterboerke. Hij bouwde een atelier tegen zijn huisje aan. Rond 1908 ontmoette hij pater Jeroom, een karmeliet die zijn leven een spiritueel-relieuze richting gaf. Hij kon nauwelijks leven van zijn schilderkunst, maar tijdens WO I kreeg hij groot succes, met individuele tentoonstellingen in het Gentse. Door dat succes kon hij in 1918 in het “Torenhuis” intrekken in Sint-Martens-Latem. Servaes behoorde toen tot de eerste “Latemse school” en wordt beschouwd als de eerste Vlaams-expressionistische schilder. Hij nam deel aan de Pelgrimbeweging, gesticht door Felix Timmermans. Een twaalftal katholieke kunstenaars in de jaren 1920-30 die zich verzetten tegen de toenmalige katholieke kunst. Artistiek liepen ze zelf erg uiteen. Servaes was een diepreligieuse mens, maar de Rooms-Katholieke Kerk ergerde zich aan zijn rauw-realistische taferelen. Zijn kruisweg voor de kapel van Luithagen werd in 1921 door de Officie van Rome verboden “naar hun aard”. Midden in deze crisis kreeg hij een solotentoonstelling in de galerij Sélections, in 1921 in Le Centaure en nog eens in 1926 met Minne. Zijn werken waren in de jaren 30 populair in Nederland en in België. In 1931 trok hij regelmatig naar Italië, en bezocht er kerken en musea van Milaan, Padua, Verona en Venetië.
Vóór WO II waren Vlaamsnationalistische gevoelens zijn onderwerp. Hij was aangesloten bij Verdinaso of Dinaso, het “Verbond van Dietsche Nationaalsolidaristen”, een Vlaamse rechtsautoritaire politieke partij. Ze waren antisemitisch en antiparlementair, en wilden Vlaanderen en Frans-Vlaanderen verenigen met Nederland. De oprichter Van Severen vond Hitler nog te zachtzinnig tegenover Joden, en de uitwijzing te traag. Ze vonden dat zij teveel invloed hadden op landsbestuur en geneeskunde. Ze waren ook tegen marxisme, liberalisme, kapitalisme en democratie. Toen WO II uitbrak koos het Verdinaso de kant van de regering, terwijl het Vlaams Nationaal Verbond de Duitse kant koos. Hun leider Van Severen keerde zich officieel af van het antibelgicisme. Toch werd hij naar een Frans concentratiekamp gestuurd, waar hij door Franse soldaten werd geëxecuteerd. Verdinaso duurde niet lang meer in Vlaanderen, de Duitse bezetter verplichtte hen zich te verenigen met het Vlaams Nationaal Verbond, de VNV. Verschillende aanhangers van de Verdinaso werden verzetslieden.
Tijdens de bezetting was Servaes openlijk pro-Duits en werkte qua cultuur met hen samen. In 1940 leidde hij een delegatie Vlaamse kunstenaars in Duitsland bij een ontmoeting met Goebbels, die zij zagen als een grote cultuurhervormer. Servaes ondertekende met “Heil Dinaso”, later met “Heil Hitler”. Hij kreeg gunstige persberichten en kon deelnemen aan groepstentoonstellingen in Duitsland. Na de oorlog kreeg hij veel doodsbedreigingen, Permeke en De Buck vonden hem een verklikker. Eind 1944 vluchtte hij naar Zwitserland. In 1947 werd hij bij verstek veroordeeld tot tien jaar gevangenis. De straf werd in 1961 verminderd tot vijf, in 1964 werd het opgeschort. Hij stierf in Zwitserland in ballingschap op 83-jarige leeftijd. |
| |

Albert Servaes, Sneeuwlandschap, 1917, oil on canvas |
| |
| Karl Schmidt-Rottluff (1884-1976) was de zoon van een molenaar in Rottluff bij Chemnitz, hij noemde zich Schmidt-Rottluff vanaf 1905. Van 1905 tot 1906 studeerde hij architectuur aan de Technische Universiteit van Dresden. Schmidt-Rottluff, Kirchner, Bleyl en Heckel waren alle vier architectuurstudenten, in 1905 richtten zij de kunstenaarsgroep “Die Brücke” op en hadden hun eerste expositie in Leipzig. Ook Pechstein sloot zich bij hen aan, hij was de enige met een volledige academische opleiding. Hij werd echter uit de groep gezet toen bleek dat hij ook lid was van de Berlijnse Secession. Schmidt-Rottluff’s eerste werken waren impressionistisch, vaak met Noord-Duitse en Scandinavische landschappen. In 1911 verhuisde hij van Dresden naar Berlijn.
In 1910 deed Schmidt-Rottluff mee met de tentoonstelling van de Berlijnse Secession, de tweede expositie van Der Blaue Reiter in München in 1912 en de Sonderbund-tentoonstelling in Keulen. In 1914, een jaar na de ontbinding van Die Brücke, werd hij lid van de Secession in Berlijn en had er zijn eerste solotentoonstelling. Tijdens WO I was hij soldaat in de wapenindustrie in Litouwen en Rusland. Na de oorlog huwde hij Emy Frisch, deed mee aan de publicatie van “Die rote Erde” en in 1920-21 het kunsttijdschrift Kündung. In 1931 werd hij benoemd tot lid van de Pruissische Academie van Kunsten, maar werd twee jaar later gedwongen ontslag te nemen. In 1932 verhuisde hij naar Rumbke aan het Lebameer in West-Pommeren. Vanaf 1927 was hij lid van de Deutscher Künstlerbund en vanaf 1927 bestuurslid, hij nam deel aan de laatste jaarlijkse DKB-tentoonstelling in de Hamburger Kunstverein in 1936. In 1937 werden 608 van zijn werken geconfisqueerd uit Duitse musea als “ontaarde kunst”, sommige werden geëxposeerd op de gelijknamige tentoonstelling. Vele van zijn werken werden om dezelfde reden verbrand in 1939 in de Berlijnse brandweerkazerne. Ziegler zette hem in 1941 uit de Rijkskamer voor Schone Kunsten, waardoor hij zijn beroep niet meer mocht uitoefenen. Ondanks dat verbod schilderde hij landschappen in aquarel in 1942 op het kasteel Kreisau in Neder-Silezië. De meeste ervan werden in 1945 vernietigd. Van 1943 tot 1946 trok hij zich terug in Chemnitz, zijn appartement en atelier in Berlijn werden door bombardementen verwoest. In 1947 werd hij benoemd tot professor aan de Academie voor Schone Kunsten in Berlijn-Charlottenburg, in 1950 was hij tweede voorzitter van de nieuwe Deutsche Künstlervereinigung, waarbij hij nog vijf maal meedeed aan hun tentoonstellingen tussen 1951 en 1976. In 1955 nam hij deel aan de Documenta 1 in Kassel.
In de DDR waren hij en andere expressionisten geschaad door het formalismedebat, vanaf eind jaren 40 domineerde er het socialistisch realisme. Zijn werken werden er nog nauwelijks verkocht. Na zijn pensionering in 1954 verbleef hij in Hofheim am Taunus, aan het Lago Maggiore en aan de Oostzee. In 1964 stelde hij op zijn tachtigste verjaardag voor om een Brücke-museum op te richtenin Berlijn. Hij heeft er meer dan 300 werken hangen, van zijn ansichtkaarten, illustraties, houtsnedes, etsen en litho’s tot schilderijen en sculpturen. De kunstcollecties van Chemnitz bezitten 490 werken van hem. Emy overleed in 1975 in West-Berlijn, het jaar daarop volgde hij. |
| |

Karl Schmidt-Rottluff, Zerstörtes Haus, ca1930, oil on canvas |
| |
| Gerardo Dottori (1884-1977) werd geboren in een arbeidersgezin in Peruvia. Zijn moeder overleed toen hij acht jaar oud was. Na de basisschool volgde hij avondles aan de Pietro Vannucci Academie voor Schone Kunsten van Perubia. ‘s Ochtends werkte hij als klerk bij een antiquair-restaurateur. Daarna volgde hij cursussen decoratieschilder en oefende dat beroep uit, na zijn academische studie vanaf 1906 nog intenser. Om meer te verdienen verhuisde hij naar Milaan, waar hij muurschilderingen maakte op privéwoningen. Hij maakte tussen 1904 en 1907 zijn eerste divisionistsche schilderijen. In 1908 kwam hij in contact met de intellectuelen van het avantgardetijdschrift “La Difesa dell’Arte” in Florence en leidde een discussiegroep van kunstenaars, muzikanten en schrijvers over de oude leerstellingen van de academies. In 1909 begon hij muurschilderingen op religieuze gebouwen. Zijn “Explosie van rood op groen” is gedateerd 1910, maar werd in 1913 geschilderd, een futuristisch werk. Dottori had zich bij het futurisme aangesloten in 1912, ze ontmoetten elkaar in het centrale café die ze “Mezzabestia” noemden. Uit deze periode stammen zijn eerste studies van motorrijders, fietsers, ritmes en explosies. Hij was een van de belangrijkste organisatoren van de Futuristische avond in de Politeama Turreno in Perugia in 1914, met Marinetti en uitvoerig besproken door de pers. In 1915 ging hij meevechten in de oorlog, maar bleef ook schilderen en vooral schrijven. Aan het front vernam hij dat hij benoemd was tot Academicus van Verdienste aan de Academie voor Schone Kunsten, maar weigerde publiekelijk omdat de benoeming niet verenigbaar was met zijn avant-gardevisie. Na de oorlog herstelde hij zijn banden met de futuristsche vrienden en richtte het tijdschrift “Griffa!” op. Deze publicatie, hoewel kort, organsieerde de eerste tentoonstelling van moderne kunst in Perugia. In 1924 werd een werk”Umbrische lente” door de jury van de biënnale van Venetië toegelaten, ondanks de vergeefse pogingen van Marinetti om er de futuristen officieel toe te laten. In 1926 begon hij te werken als decorateur in Rome, en keerde pas in 1939 terug naar Perugia om les te geven. In Rome schreef hij ook kunstcolumns, voor het futurisme en tegen de traditionele stijlen. Uit deze periode dateert zijn “Triptiek van snelheid”, dat samen met een muurschilderijng “Idroscalo di Ostia” (1928) de start was van de “aeropainting”, vliegtuigen als futuristisch onderwerp. Met zijn “”Manifest van de Futuristsche Heilige Kunst” (1931) vernieuwde hij de sacrale kunst, nadat het Vaticaan het “Verdrag der Lateranen” had ondertekend met de Italiaanse fascisten. Met “Anno X” won hij de prijs van het Ministerie van Bedrijven op de biënnale van Venetië. Hij en Prampolini waren de enige futuristen die meerwerkten aan een tentoonstelling voor het tienjarig bestaan van de Fascistische Revolutie in Rome. Van 1936 tot 1938 doceerde hij als hoogleraar aan de Academie voor Schone Kunsten, in 1940 werd hij er directeur. Eind 1941 schreef hij het “Umbrische Manifest van de Aeropainting”. In 1945 stopte hij met de leiding van de Academie, maar bleef er lesgeven tot 1966. Door de nationale isolatie van het fascisme raakte Dottori samen met het futurisme snel vergeten. Enkel in Umbrië bleef hij de onbetwiste meester. In 1951 had hij een solotentoonstelling in Milaan en ook in dat jaar deed hij mee aan de eerste avant-gardetentoonstelling in Bologna. Hij wou tal van prijzen en in 57 schonk hij vijf werken aan Perugia, wat de basis werd van de toekomstige Galleria d’Arte Moderna. In 1960 ontmoette hij de kunstenaar en verzamelaar Loreti die zijn grote promoter werd en zijn “herontdekking” teweegbracht. In Triëst was een grote retrospectieve voor zijn negenste verjaardag. Hij bleef schilderen tot zijn laatste dag, waaronder ook een reeks abstracte werken. Hij overleed in 1977 in zijn villa in Perugia. |
| |

Gerardo Dottori, Senza titolo, 1925, oil on canvas |
| |
| Constant Permeke (1886-1952) was de zoon van een landschapsschilder en restaurateur die aan de Academie van Brussel had gestudeerd. Met zijn gezin trok hij in 1891 weg op zijn boot “Artis Amor”, in 1892 legde hij aan in Oostende en bleef er. In 1897 werd hij de eerste conservator van het Stedelijk Museum voor Schone Kunsten. Van 1903 tot 1906 volgde hij academie in Brugge. Hij had het vooral voor Emile Claus, hoewel hij zich later ook inspireerde op Laermans en Jakob Smits. Van 1906 tot 1908 deed hij zijn militaire dienstplicht, terwijl hij avondlessen kon volgen aan de Academie van Gent, waar hij Van den Berghe, Gustave en Léon De Smet, Puvrez, de historicus de Ridder en criticus Van Hecke leerde kennen. Samen vestigden de vrienden zich in Sint-Martens-Latem, waar ook de succesvolle vorige groep rond Albijn Van den Abeele was gevestigd. In 1908 keerde hij met Gustave de Smet terug naar Oostende. In 1909 trok hij terug naar Latem, leefde er eerder teruggetrokken en werd geboeid door de zware toetsen van Albert Servaes, die hij kende van de Gentse Academie. Hij nam deel aan de “Salon Internationale de Liège”, waar zijn werken hingen naast Monet, Renoir en Picasso en in 1911 deed hij mee aan “Kunst van Heden” in Antwerpen. In 1912 huwde hij Maria Delaere, ze vestigden zich in Oostende. Léon Spilliaert was er zijn buur, ze hadden nauw contact. Hier kwam zijn expressionisme tot uiting.
WO I brak uit en Permeke werd opgeroepen om Antwerpen te verdedigen. Hij raakte zwaargewond in Duffel en werd naar een hospitaal in de UK overgebracht. Hij zag er zijn vrouw en zijn moeder terug en kreeg er een zoon. Hij had er Belgische kunstvrienden als Tytgat, van de Woestyne, Boudry en Daeye. Ontslagen uit zijn militaire dienst kreeg hij er huisvesting, in 1916 verhuisde hij met zijn gezin naar Chardstock, Devonshire, waar hij ook een dochter kreeg, en in 1917 naar Sidford, dicht bij zee. Hier schilderde hij met meer kleur dan in andere periodes. Met drie kinderen keerden ze in 1919 terug naar zijn zwaar beschadigd huis in Oostende, tot hij er verhuisde naar het visserskwartier, waar ook Gustave De Smet en Frits Van den Berghe kwamen. Tentoonstellingen over het kubisme beïnvloedde het werk van Permeke, zonder dat hij een kubistische schilder werd, alsook primitieve kunst. Hij stelde tentoon bij Kunst van Heden en Selection, en had ook succes in de galerij “La Licorne” in 1921 in Parijs. In 1922-24 schilderde hij ook vaak samen met Fritz Van den Berghe in Astene. In 1923 stierf zijn derde zoon en werden zijn werken zwarter, het boerenleven verving het vissersleven. In Galerie Giroux in Brussel kreeg hij zijn eerste overzichtstentoonstelling aangeboden met 270 werken, alle gemaakt tussen 1912 en 1924. Met Dufy gaf hij bij Manteau in Brussel een dubbeltentoonstelling. In 1926 verbleef hij kort in Vevey in Zwitserland en schilderde er enige berglandschappen. In 1929 trok hij in een huis in Jabbeke dat hij had laten bouwen. Hij ging schetsen in de omgeving en maakte er grote doeken mee in zijn atelier, wellicht geïnspireerd door het grote filmdoek, want in Oostende had hij met Henri Storck en de surrealistische schilder Félix Labisse de Oostendse fimclub opgericht. Door zijn deelname aan de Biënnale van Venetië in 1934 kreeg hij internationale erkenning. Vanaf 1937 ontplooit hij zich ook als beeldhouwer. Vanaf 1938 tot WO II maakte hij nog enkel beelden. Die kunst werd niet altijd goed ontvangen. In 40-45 werd zijn zoon krijgsgevangen gehouden in Duitsland. Zijn kunst werd bestempeld als “ontaard”, zijn tentoonstelling gesloten en hij werd een schilderverbod opgelegd. Hij bracht zich in veiligheid in Brussel en had er in 1943 zelfs een tentoonstelling. Van den Berghe was gestorven in 1939, Gustave de Smet stierf in 43. Begin 44 had Permeke 130 werken hangen in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, maar de recensies waren negatief wegens “entartete Kunst”, het paleis werd zelfs gesloten.
In 1945 werd Permeke directeur van de Koninklijke Academie Antwerpen, hij volgde Opsomer op. Nog geen jaar later liet hij de functie over aan zijn vriend Puvrez. In 1947-48 had hij een retrospectieve in Parijs, maar zijn vrouw Maria overleed na een slepende ziekte. In 1950 maakte hij terug mooie doeken. In 1951 trok hij met zijn zoon Paul door Bretagne, waarna de symptomen van kanker begonnen. In 1952 werd hij met spoed in het ziekenhuis opgenomen en stierf dezelfde dag. Het was zijn wens dat zijn woonhuis en atelier in Jabbeke een museum zouden worden, wat ook is gebeurd. |
| |

Constant Permeke, Landschap |
| |
| Marc Chagall (1887-1985) werd geboren als Moishe Shagal in Vitebsk, toen een vestiging van het Russische Rijk, een stad van hout, als oudste van negen kinderen. Zijn vader was in dienst van een haringhandelaar en zijn moeder verkocht kruidenierswaren. Van eind 18de eeuw tot aan WO I mochten de joden in een beperkt gebied leven, ongeveer overeenkomend met het “Pools-Litouwse Gemenebest”. Dat leidde tot eigen markten, scholen, ziekenhuizen en andere instellingen. Chagall schrijft in “Mijn leven” dat hij, door de onverdraagzaamheid, soms ontkende Joods te zijn. Naar reguliere scholen mochten ze niet en op de universiteiten waren beperkte quota. Voor 50 roebels accepteerde de rector van de middelbare school hem toch. Daar zag hij een mede-student die tekende, en dat was een revelatie. Hij begon met te tekenen naar prenten in boeken uit de bibliotheek. Yehuda Pen runde een tekenschool en bood aan hem gratis les te geven. Na een paar maand besefte hij dat portretkunst hem niet zo lag.
Via een vriend slaagde hij erin het voor de Joden vereist paspoort te bekomen en verhuisde in 1906 naar Sint-Petersburg, toen de hoofdstad van het Russische Rijk. Hij studeerde er twee jaar aan de kunstschool, in 1907 maakte hij naturalistische zelfportretten en landschappen, en was lid van een vrijmetselaarsloge. Van 1908 tot 1910 was hij leerling van Léon Bakst aan de Zvantseva School voor Tekenen en Schilderen. Bakst wad eveneens Joods en was bekend als ontwerper van kostuums en décors voor de Ballets Russes. Een jaar later verhuisde Bakst naar Parijs. Chagall bleef ook Vitebsk bezoeken en ontmoette er Bella Rosenfeld. In 1910 verhuisde hij naar Parijs. Zijn kunst had er geen succes, het kubisme was er toen nog de dominante kunst. Hij kreeg wel erkenning van dichters, als Cendrars en Apollinaire. Hij werd bevriend met Apollinaire, Delaunay en Léger. Hij begon aan de Académie de La Palette, waar Metzinger en Le Fauconnier lesgaven, bij een andere academie vond hij werk. Hij bezocht galerijen, salons en musea. Hij schilderde ‘s nachts, met zijn herinneringen aan Vitebsk, gemengd met scènes van Parijs. Soms maakte hij fauvistische of kubistische versies van zijn vroegere schilderijen. Hij wou niet dat hij geassocieerd werd met een bepaalde stroming. Hij miste Bella die in Vitebsk was gebleven en begon schrik te krijgen haar te verliezen. Om naar haar toe te kunnen reizen accepteerde hij tentoon te stellen in Berlijn met gouaches, aquarellen en tekeningen. Zijn expositie in de Sturm Gallery was een groot succes. Daarna reisde hij verder naar Vitebsk, met de bedoeling er kort te verblijven en te trouwen.
Maar WO I brak uit en Rusland sloot zijn grenzen. Ze huwden een jaar later en kregen hun eerste kind. Chagall werkte in de oorlog voor de het “Comité voor de Oorlogsindustrie”, bij de bevoorrading. In 1915 stelde hij tentoon in Moskou en illustreerde boeken. Rijke verzamelaars kochten zijn werk en hij kreeg erkenning. De oktoberrevolutie van 1917 was een gevaarlijke tijd, maar bood ook kansen. Hij weigerde aanvankelijk om de leiding te nemen van Narkompros in Petrograd, maar nam het daarna toch aan. Hij werd benoemd tot commisaris van kunsten voor Vitebsk, hij richtte er de Volksacademie op en het Kunstmuseum. Hij probeerde de kunstenaars onafhankelijk te maken, elk in hun eigen unieke stijl. Sommige faculteitsleden verkozen echter de suprematische kunst van Malevitch en beschuldigden hem ervan “burgerlijk individualisme” te kweken. In 1920 namen zij de Academie over, Chagall werd ontslagen en trok naar Moskou. Daar werd hij decorontwerper van het Joodse Staatskamertheater. Hij maakte er grote muurschilderingen. Toen WO I eindigde ging de Russische Burgeroorlog door en er was hongersnood. Tussen 1921 en 22 leefden ze in primitieve omstandigheden. Veel kunstenaars wilden naar het Westen uitwijken en ook Chagall keerde terug naar Frankrijk in 1923. Onderweg stopte hij Berlijn voor de schilderijen van zijn vroegere tentoonstelling, maar vond er geen terug. Dat feit verplichtte hem volop terug te schilderen, hij maakte ook olieverfwerken en werkte aan illustraties voor verschillende boeken. Hij reisde ook naar Bretagne en had zijn eerst tentoonstelling in New York in de Reinhardt Gallery. Zelf bleef hij echter in Frankrijk, waar hij rondreisde, ook aan de Côte d’Azur. In 1931 bleef hij twee maand met zijn familie naar Tel Aviv om mee te werken aan een nieuw Joods kunstmuseum. Van 1931 tot 34 werkte hij intensief aan illustraties voor de bijbel. Hitler was in Duitsland aan de macht gekomen en de kruistocht begonnen tegen moderne kunst. Chagall’s werk werd belachelijk gemaakt en als een “aanval op de westerse beschaving” aanzien. Franse Joden werden, met hulp van de Vichy-regering onder maarschalk Pétain, naar Duitse concentratiekampen gestuurd. Genaturaliseerde burgers werden hun Franse nationaliteit ontnomen. Chagall besefte pas wat er aan de hand was toen Frankrijk onder Duitse bezetting antisemitische wetten goedkeurde. Zelf kon hij geen overtocht naar de VS betalen, noch de borg die immigranten moesten betalen opdat ze geen financiële last voor het land zouden worden. Veel andere Russich-Joodse kunstenaars zijn wel gevlucht: Soutine, Ernst, Beckmann, Fulda, Serge en Nabokov die met een Joodse vrouw was gehuwd. Dankzij zijn dochter Ida en Barr van het New-Yorkse museum van moderne kunst, kwam hij op een lijst van “prominente kunstenaars” die gered moesten worden.
Nadat hij in 41 zijn Franse nationaliteit was ontnomen, verbleef hij in een hotel in Marseille, door te dreigen met een schandaal werden meer dan 2000 mensen gered. In juni vluchtten Bella en hij op een Portugees schip naar de VS. Hij gaf tijdens de reis nog tekenles aan de kinderen. Ida en haar man vluchtten op een ander schip en namen werken van hem mee. In New-York voelde hij zich verloren, alhoewel tussen vluchtende kunstenaars, en vernam dat hij intussen beroemd was geworden. Hij sprak toen nog geen Engels. Andere kunstenaars van zijn tijd noemden hem smalend een “folkoristische verhalenverteller”. In 41 kreeg hij exposities in New York en Chicago die de houding tegenover hem deden veranderen. Hij kreeg nieuwe opdrachten, door de opvoeringen van het Ballet Theatre of New York. Daar die groot succes hadden, steeg zijn reputatie mee. Ondertussen hoorde hij hoe Vitebsk volledig was verwoest en hoe de Joden werden afgeslacht. In 1944 stierf Bella plots aan een streptokokkeninfectie en gebrek aan peniciline. Na een jaar bij zijn dochter te hebben gewoond had hij zeven jaar een relatie met Virginia Haggard, de dochter van een diplomaat, ze kregen een kind. In 1946 was een retropectieve in het Museum of Modern Art. In de herfst van 1947 keerde hij definitief terug naar Frankrijk. Ida trouwde in 1952 met een kunsthistoricus, Chagall huwde een succesvolle hoedenmaakster uit Londen, van Joods-Russische afkomst. Hij werkte eveneens als decorontwerper, maakte ook sculpturen, keramiek, wandtegels, muurschilderingen, brandglasramen, mozaïeken, wandtapijten en beschilderde vaatwerk. Zijn meest beroemde groot werk was het plafond van de Parijse opera in 63. Hij maakte ook brandglasramen voor kerken en openbare gebouwen. |
| |

Marc Chagall, Le cirque rouge et bleu, ca1969-73, oil, tempera & gouache on canvas |
| |
| Juan Gris (1887-1927) werd geboren in Madrid als José Victoriano González-Pérez als dertiende kind van een welgestelde familie. Zijn vader had een winkel in kantoorartikelen en lederwaren. In 1912 schreven zijn ouders hem in bij industrieel tekenen aan de Escuela de Artes y Manufacturas in Madrid. Na zijn school, in 1904-05, studeerde hij bij Carbonero, tevens leraar van Picasso, maar de academische kunst interesseerde hem niet. Onder zijn pseudonym Juan Gris vestigde hij zich in 1906 in Parijs en had er contact met Picasso, Apollinaire, Max Jacob en André Salmon. In 1907 nam hij het atelier over van Van Dongen, wat hij deed tot 1922. In 1908 huwde hij Lucie Belin, het jaar daarop hadden ze een zoon. Via Picasso leerde hij Derain, Braque en de Vlaminck kennen.
In 1911 scheidde hij van zijn vrouw en stopte hij zijn werk als cartoonist en schilderde in een eigen kubistische stijl. Hij deed mee aan de Salon des Indépendants van 1912. Ondanks de blijvende steun van twee critici, Raynal en Reverdy, was er ook spot met zijn “volledig kubisme”. Gris beschouwde Picasso als een leermeester, maar Gertrude Stein schreef dat Picasso “de enige persoon was die hij weg wou.” In 1912 exposeerde hij op de “Exposició d'art cubista” in Bercelona, de eerste tentoonstelling volledig aan het kubisme gewijd, daarna in Der Sturm in Berlijn, in Rouen, en met de “Puteaux-groep” op het Salon d’Or in Parijs. Aan Kahnweiler verkocht hij de exclusieve rechten op zijn werken. In 1913 ontmoette hij Picasso en Max Jacob en leerde hij Josette Herpin kennen, later werd zij zijn tweede vrouw. Vanaf 1913 werkte hij in een andere stijl van kubisme, wat hij het “synthetisch kubisme” noemde, zijn vorige stijl noemde hij dan het “analytisch kubisme”. In 1914 werd Gertrude Stein zijn criticus, sponser en vriendin. In Collioure ontmoette hij Matisse, die levenslang een vriend bleef. In tegenstelling tot Picasso en Braque gebruikte hij heldere kleuren zoals zijn vriend Matisse. Hij maakte ook collages.
In WO I onvluchtte Kahnweiler zijn mobilisatiebevel en bleef in Zwitserland, waardoor hij Gris niet meer kon ondersteunen. Gris verwachtte een korte oorlog en bleef met Matisse en Marquet in Collioure. Gris was in grote armoede beland, en weigerde hulp van Stein en Brenner omwille van zijn contract met Kahnweiler. Maar in 1915 stopten ze het contract in overleg, en enige maanden later tekende hij een contract met Rosenberg. Hij stortte zich terug op het werk. In 1916 weigerde hij tentoon te stellen. In Parijs woonde hij het banket bij van de publicatie van Apollinaire’s “Poète assassiné”, in 1917 was de kunstwereld verdeeld als gevolg van de oorlogsellende, in 1918 woonde hij Apollinaire’s begrafenis bij. Hij besloot toch zijn contract met Rosenberg te verlengen. Zijn eerste grote tentoonstelling na de oorlog was in de Galerie de l’Effort Moderne met een vijftigtal doeken, waar hij gezien werd op dezelfde lijn als Picasso en Braque. Hij slaagde erin zijn contract met Rosenberg te verbreken om er terug een met Kahnweiler aan te gaan. Zijn stijl paste perfect in de na-oorlogse beweging van “terugkeer naar orde”. Zijn “kristalkubisme” vanaf eind 1916 is abstracter, eenvoudiger, de achtergrond niet zo te onderscheiden van de voorgrond.
Mei 1919 werd Gris wegens pleuritis in het ziekenhuis opgenomen. Hij herstelde in Beaulieu en trok daarna terug naar Parijs. Met Josette ging hij in een huis van de Kahnweilers wonen. Voor Diaghilevs “La fête merveilleuse” in Versailles in 1923 had hij decors ontworpen en hij bleef zo met hem samenwerken dat hij eind 1924 depressief en vermoeid naar Parijs terugkeerde. Omdat hij zich wou nationaliseren kreeg hij ruzie met zijn familie in Spanje en hij haalde zijn zoon van Madrid terug naar zijn huis. In 1926 vestigde zij zich in Hyères in Zuid-Frankrijk, maar hij had koorts en astma-aanvallen. Met behulp van morfine bleef hij aan grote doeken werken. Met diagnose van uremie keerde hij naar Parijs terug. Hij stierf aan een uremische crisis in Boulogne-sur-Seine in Parijs. |
| |

Juan Gris, Livre, pipes et verres, 1915, oil on canvas |
| |
| August Macke (1887-1914) werd geboren als August Robert Ludwig Macke in Meschede in Sauerland (Duitsland), zesde kind van een spoorwegingenieur, en de dochter van een meesterbakker. Hij was artistiek en muzikaal aangelegd. In 1885 waren twee van zijn zussen gestorven. Na zijn geboorte verhuisden ze naar Keulen waar hij vanaf 1897 het gymnasium Kreuzgasse bezocht. Vanaf 1900 ging hij naar de Realschule van Bonn, waar ze naartoe verhuisd waren. In 1903 ontmoette hij Elisabeth Gerhardt, dochter van een fabriekseigenaar. In 1904 verwisselde hij de school met de Koninklijke Kunstacademie van Düsseldorf, tegen de wil van zijn vader in. Hij was niet erg veel aanwezig en verliet de school in 1906. Cursussen in 1905 aan de Hogeschool voor Toegepaste Kunsten gaven hem meer inspiratie. In 1906 ontwierp hij kostuums en decors voorhet Düsseldorfse Playhouse. Op een reis in Parijs in 1907 maakte het impressionisme een diepe indruk op hem. Hij ging les volgen bij Lovis Corinth aan de Kunstacademie van Berlijn. In 1908 reisde hij naar Italië, daarna reisde hij met Elisabeth Gerhardt en Bernhard Koehler als hun adviseur voor de aankoop van impressionistische werken. In oktober begon hij zijn dienstplicht bij de infanterie. In 1909, na zijn diensplicht, huwde hij Elisabeth, ze was reeds zwanger. Ze leefden van haar erfenis.
Op hun huwelijksreis in Parijs leerde hij fauvisten futuristen kennen. In 1910 verhuisden ze naar Tegernsee, waar ze hun eerste zoon kregen. Op een tentoonstelling ontmoette hij Franz Marc, en bezocht hij de tentoonstelling van de “Neue Kunstverein München” met werken van fauvisten en kubisten. Marc werd er toen lid van, maar Macke was er niet zo voor. “De uitdrukkingsmiddelen zijn te groots voor wat ze willen zeggen.” In 1910 keerden ze terug naar Bonn, in 1911 betrokken ze het huis van haar moeder, waar een atelier voor hem werd gebouwd. Hij maakte er meer dan 330 schilderijen. Max Ernst werd toen bevriend met Macke en besloot schilder te worden. Midden 1911 gaven Kandinsky en Marc hun eigen tijdschift uit, de almanak “Der Blaue Reiter” die slechts één keer verscheen, Macke leverde een essay “Die Masken”, en hij kon Koehler overtuigen te financiëren. Toen de redacteurs de almanak verlieten voor hun eigen tentoonstelling onder dezelfde naam, sloot Macke zich aan. De eerste expositie was in München, daarna volgden Keulen, Berlijn, Hagen en Frankfurt am Main. Bij hun tweede expositie had Macke zich reeds gedistancieerd. Door zijn vele tentoonstellingen (waaronder Ruitenboer” in Moskou) kreeg hij ook buiten Duitsland bekendheid. Hij organiseerde ook tentoonstellingen voor andere kunstenaars. Hij werkte mee aan de Sonderbund-tentoonstelling in Keulen, en van de Rijnlandse expressionisten in Bonn in 1913. Hij schilderde “Persiflage op de Blauwe Ruiter” als karikatuur. |
| |

August Macke, Walterchens Spielsachen, 1912, oil on canvas |
| |
| Giorgio de Chirico (1888-1978) werd geboren als Giuseppe Maria Alberto Giorgio de Chirico in Volosin Griekenland, uit Italiaanse ouders. Zijn vader was spoorwegingenieur en legde mee het spoorwegnet aan in Griekenland en Bulgarije. Zijn vader was van adel, zijn moeder barones. In 1891 stierf zijn oudere zus en werd zijn jongere broer geboren, musicus, schrijver en schilder. In 1896 kreeg hij zijn eerste tekenlessen. Na zijn lyceum in Athene studeerde hij thuis verder met privéleraren. Met zijn broer verhuisde hij in 1906 naar Florence, waar hij aan de Academie voor Schone Kunsten startte. In 1907 startte hij aan de Academie voor Schone Kunsten in München, waar hij de kunst van Arnold Böcklin en Max Klinger leerde kennen, die zijn werk sterk zouden beïnvloeden. Hij studeerde onder Franz von Stuck. In 1909 herenigde de familie zich in Milaan. In 1910 schilderde hij zijn eerste typische werk, “Het raadsel van een herfstnamiddag”, na een openbaring op de Piazza Santa Croce. Met zijn broer woonde hij van 1911 tot 1915 in Parijs, hij nam deel aan de Salon d’Automne en de Salon des Indépendants, en had er omgang met Apollinaire, Max Jacob en Picasso, hij was ook beïnvloed door Gauguin. Hij schilderde dromerige, verlaten stadszichten. In 1912-13 nam zijn faam toe, maar financieel was het geen groot succes. Met zijn broer was hij vrijwillig opgenomen in het leger bij de aanvang van WO I. Hij had er contacten met dichters en schilders van de Ferrara-groep, en raakte bevriend met Carlo Carrà, de schilderes Pitteri en de beeldhouwer Giorgio Rea, een homoseksuele anarchist die kort daarop zelfmoord pleegde. Hij vond Ferrara de eenzaamste stad ter wereld.
Tijdens zijn ziekenhuisopname in 1917 ontmoette De Chirico Carlo Carrà, met wie hij de “metafysische schilderkunst” bedacht. De theorieën werden in 1920 verspreid via het tijdschrift “Pittura metafisica”. De “beweging” duurde niet lang, in zijn memoires schrijft hij dat zijn metafysische periode en de invloed van Böcklin eindigde in 1919, toen zijn architecturale periode begon. Vanaf 1917 had hij een intens contact met Antonia Bolognesi, de briefwisseling duurde 50 jaar. In 1924 ontmoette hij de danseres Raissa Calza, ze had voor hem een intense aantrekkingskracht. Ze gaf het dansen op om archeologie te studeren aan de Sorbonne. Hij portretteerde haar vaak en beïnvloed door haar studieboeken begon hij archeologische onderwerpen te schilderen. Hij schilderde naturalistische werken, stillevens, landschappen, portretten en interieurs, gelijktijdig met zijn metafysische doeken. In 1917 begon hij ook bronsbeeldhouwen, en bleef dat doen tot in de jaren 60. Hij werkte ook als graveur en decorontwerper, en maakte litho’s. Toen hun relatie een crisis had in 1930, trouwden ze. De figuren zonder gezicht die hij schilderde vanaf 1917 waren geïnspireerd op een toneelstuk van zijn broer Savinio “De man zonder gezicht”.
Via Apollinaire maakte André Breton kennis met de symbolistische schilderkunst van De Chirico in 1916. Breton was een schrijver en dichter, die vóór de oorlog medische studies deed, met grote interesse voor geestesziekte. De opleiding werd echter afgebroken door WO I, hij werd opgeroepen en tewerkgesteld op de neurologisch afdeling van Nantes. De Chirico had een grote invloed op Breton, en was mede oorzaak dat ook figuratieve schilderkunst zijn intrede deed in de beweging. In 1924 publiceerde Breton zijn Surrealistisch Manifest, als uiting van een filosofische stroming, hij spreekt er over zijn “zuiver psychisch automatisme”. De eerste schilderkunst van het surrealisme was volledig abstract, zoals automatisch schrijven. Op diverse manier wilden ze het onbewuste tot uiting brengen. “De voorheen tegenstrijdige omstandigheden van droom en werkelijkheid op te lossen in een absolute werkelijkheid, een superwerkelijkheid, oftewel surrealisme”, luidde de definitie. Twee weken eerder had de dichter-schrijver Yvan Goll zijn surrealistisch manifest gepubliceerd, met wie Breton in ruzie lag. Beiden waren nauw betrokken bij het dadaïsme in WO I. Breton richtte in 24 zijn tijdschrift “La Révolution surréaliste” op en zijn “Bureau voor surrealistisch onderzoek”. (Goll had in 1924 zijn tijdschrift “Surréalisme”) Hij had een grote groep schrijvers met hem verbonden. Uitspraken in zijn tweede manifest in 29 leidde tot een groot schizma in de groep. Ook in 29 trad Dali toe tot de groep. Tussen 1921 en 25 had De Chirico een uitgebreide correspondentie met Breton, de dichter Éluard en diens vrouw Gala. In 1924 onmoette hij Breton voor het eerst. Breton declareerde hem tot voorloper van de surrealistische schilderkunst, maar reeds in 1925 schakelde De Chirico van zijn metafysische schilderkunst over naar een vorm van classicisme in een meer impressionistische en tegelijk dramatische stijl, met vaak elementen uit zijn vroegere werken, mede onder druk van het Italiaanse fascisme, maar ook uit commercieel oogpunt. Zijn werken verkochten weinig in privé, terwijl zijn stijlverandering een wereldwijd succes kende in privéverkoop. De surrealisten vonden het een verraad. Breton, die zichzelf communistisch vond, werd woedend en verklaarde publiekelijk dat De Chirico in 1918 artistiek gestorven was. De Chirico bleef eigenzinnig bij zijn stijl die evolueerde tot een vermenging van zijn metafysische stijl en de classicistische. Hij maakte ook varianten van eerder werk en dateerde ze naar de oorspronkelijke.
In 1924 en 1932 nam hij deel aan de Biënnale van Venetië, in 1935 de Quadriënnale van Rome. In 1929 werd zijn boek “Hebdomeros” gepubliceerd toen het classicisme hoogtij vierde onder de druk van het fascisme. Het boek is een onsamenhangend verhaal van gladiatoren, generaals, centauren, herders, dromen, herinneringen, hypnotische suggesties, mythes, alles echo’s van zijn schilderijen. In 1936-37 vestigde hij zich in New York stelde er tentoon in de Julien Levy Gallerie en werkte samen met de modebladen Vogue en Harper’s Bazaar. Hij was ook interieurontweper, en werkte bijvoorbeeld samen met Picasso en Matisse aan een eetkamer in de Decorators Picture Gallery. In de jaren 50 maakte hij zelfportretten in barokcostuums en zichten op Venetië. Hij werkte voor tijdschriften en begon een polemiek tegen Picasso en het modernisme. In 1944 verhuisde hij naar Rome waar hij in 1978 stierf aan een langdurige ziekte. |
| |

Giorgio de Chirico, Piazza d'Italia con fontana, ca1938 (signed 1917), oil on canvas |
|
|
Heinrich Campendonk (1889-1957) werd in Krefeld geboren als zoon van een textielhandelaar, en volgde de plaatselijkse School voor Kunst en Ambacht, onder Johan Thron Prikker. Zijn vader deed hem de school verlaten, maar hij deed zelf verder. Via August Macke had hij contacten met “Der Blaue Reiter”, met Kandinsky en Franz Marc. Hij woonde tien jaar in Penzberg in Opper-Beieren, op uitnodiging van Franz Marc en August Macke. In 1913 huwde hij er Adda Deichmann. Ze kregen een zoon en een dochter. In 1911 was hij de jongste deelnemer van de eerste tentoonstelling van Der Blaue Reiter in de Thannhauser gallerij. Daarna volgden verschillende. Verzamelaars zoals Koehler en galerijen gaven hem een financiële zekerheid. Hij stelde tentoon op de “Rijnlandse expressionisten” in Bonn in 1913 en op het “Eerste Duitse Herfstsalon” in Der Sturm in Berlijn, met een groeiende internationale erkenning, olieverfschilderijen, aquarellen, inttekeningen, schilderijen achter glas en houtsnedes.
In 22 keerde hij terug naar het Rijnland en werd hoogleraar in de School voor Toegepaste Kunsten in Essen. In 26 volgde hij Prikker op als hoofd afdeling monumentale schilderkunst. Hij ontwierp toneeldecors, wandtapijten, muurschilderingen en brandglasramen. In 25 had hij twee solotentoonstellingen in New York, via zijn kunstminnende vriendin Katherine Dreier. In 29 werd de Vlaamse Edith van Leckwyck zijn nieuwe partner, hij scheidde in 32 van Deichmann, maar hield contact met familie en kinderen. Door het nazisme werd hij in 33 gedwongen op pensioen te gaan. Hij emigreerde naar Antwerpen bij Edith, daarna naar Amsterdam als hoogleraar Monumentale en Verzenschilderkunst aan de Rijksacademie. Op de nazistische tentoonstelling “ontaarde kunst” in 37 werden zes van zijn werken tentoongesteld, 87 werden er uit musea en gallerijen in beslag genomen. Hij presenteerde dat jaar zijn drieluik-brandglasraam “Instrumenten van de passie” op de wereldtentoonstelling in Parijs, waarmee hij de Grand Prix won. Na de Duitse inval in Nederland werd hij vaak het doelwit van represailles, waardoor hij uiteindelijk onderdook. Na de oorlog kon hij verder werken met succes. Nieuwe brandglasramen raakten niet af door gezondheidsproblemen. Daardoor, en door bureaucratie, slaagde hij er evenmin in naar Duitsland terug te keren. In 55 werden werken tentoongesteld op Documenta in Cassel en in 56 ontving hij Nederlandse onderscheidingen. Een jaar later overleed hij. |
| |

Heinrich Campendonk, Mann, Pferde, Kuh, ca1918, oil on canvas |
| |
| Max Ernst (1891-1976) werd geboren in Brühl, ten zuiden van Keulen, als derde van negen kinderen. Zijn vader was leraar voor doven en amateurschilder. Vanaf 1909 studeerde hij filosofie, kunstgeschiedenis, literatuur, psychologie en psychiatrie aan de universiteit van Bonn. Hij werd gefascineerd door kunst van psychiatrische patiënten, en begon ook zelf te schilderen, volledig autodidact. In 1911 werd hij bevriend met August Macke en sloot zich aan bij “Die Rheinischen Expressionisten”. In 1912 bezocht hij een tentoonstelling in Keulen, het werk van Picasso, Gauguin en van Gogh troffen hem. Hij stelde tentoon met de groep in Galerie Feldman in Keulen, daarna in 1913 op diverse groepstentoonstellingen. In 1914 begon zijn vijftig jaar durende vriendschap met Hans Arp, die zich later als beeldhouwer Jean Arp liet noemen. In 1914 werd hij onder de wapens geroepen, een traumatiserende ervaring. Hij schreef: "Op 1 augustus 1914 stierf M.E. (Max Ernst). Hij werd op 11 november 1918 herrezen." Tijdens WO I bleef hij eerst schilderen als kaartmaker. Ernst zat vier jaar in een artillerie-eenheid en werd tweemaal aan zijn hoofd gewond, een keer door de terugslag van een kolf, de tweede keer door een muilezel. Hij kwam vier keer bijna voor de krijgsraad. August Macke en Franz Marc sneuvelden. Kort na de oorlog huwde Ernst de Joodse Luise Straus, het huwelijk duurde niet lang, maar in 1920 kregen ze een zoon, die ook schilder werd. Na de oorlog werd Max Ernst een actieve dadaïst.
Max Ernst bezocht Paul Klee in 1919 en zag het werk van de Chirico, waaruit zijn eerste collages ontstonden. Met Baargeld en collega’s richtte hij in 1919 de Keulse Dada-groep op. Ernst en Baargeld richtten kortstondige tijdschriften op, zoals “Der Strom” en “Die Schammade” en richtten tentoonstellingen op. Vanaf 1919 maakte Ernst collages. Sinds 1912 maakte Braque en Picasso die reeds, maar bij Ernst dienden ze om het onbewuste op te roepen, “om “inspiratie te forceren”. De titels zoals “De kleine traanklier die tiktak zegt”, desoriënteren enkel nog méér.
In zijn werken van 1920 en 21 veranderde “Dadamax” van het nihilisme tot meer constructieve werken. In 20 had hij een solotentoonstelling met zijn collages. In 21 begon zijn levenslange vriendschap met de dichter Paul Éluard, die twee werken van hem kocht. In 22 werkten ze allebei mee met André Breton en zijn tijdschrift “Littérature”. Ernst vestigde zich illegaal in Parijs bij Éluard en diens vrouw Gala, in een driehoeksverhouding, zijn zoon achterlatend. Dat Gala verliefd werd op Ernst, deed Éluard af als niet storend “Ik hou meer van Max dan van Gala”. Voor de kost deed Ernst diverse losse baantjes en bleef schilderen. In 1923 verhuisden ze naar Eaubonne, ten noorden van Parijs, waar Ernst talrijke muurschilderingen maakte. In 24 had Éluard steeds meer moeite met de verhouding tussen Max en Gala en vertrok plots naar Monaco, vervolgens naar Saigon (Vietnam). Hij vroeg Gala en Ernst om over te komen, die moesten schilderijen verkopen om de reis te betalen. Na een korte tijd met hun drieën besloten ze dat Paul en Gala zouden samenblijven. Ze keerden terug naar Eaubonne, Ernst volgde enkel maanden later. Eind 24 kon hij in Parijs een contract sluiten met Viot, waardoor hij fulltime kon schilderen.
Bij het eerste suurealistisch manifest van Breton waren geen echte schilders. In 25 begon hij met zijn groep te discussiëren over schilders die surrealistisch konden genoemd worden. In zijn tijdschrift “La révolution surréaliste” schreef hij over “Surrealisme en schilderkunst”. Hij vermeldde Ernst, Arp, Masson en Tanguy, daarnaast ook Picasso, die nooit deelnam aan de beweging. Goya en de Chiroco werden tot voorlopers benoemd. Omdat de Chirico niets verkocht, veranderde hij echter zijn stijl, net toen hij door de surrealisten was uitgenodigd. Na nog meer kritiek uitte de Chirico woedend dat de hele moderne schilderkunst waardeloos was, inkluis zijn eigen oude werk. Net toen in 1920 zijn werk verslapte, zag Ernst het werk “De heilige vis” op een expositie in Keulen, van diepgaande invloed op zijn eigen evolutie.
In 25 had hij een eigen atelier. Hij experimenteerde met de decalcomanie-techniek, het wrijven op twee bladen vol verf en lijm op elkaar, wat William Blake vroeger al had toegepast. Met ander surrealisten werkte hij in Atelier 17, een experimenteel atelier en academie voor grafische kunst onder de graficus Hayter, waar kunstenaars van elkaar konden leren.In 25 ontdekte Ernst door over een blad papier te wrijven op een ruw houten tafel in een havencafé, dat hij op deze manier allerlei beelden kon oproepen uit het onbewuste, net zoals Da Vinci in zijn “Verhandeling over de schilderkunst” schilders uitnodigde om naar vlekken en verkleuring te staren op oude wanden. Hij maakte zijn “frottages” in deze techniek, en gebruikte ook beelden in zijn werk die eruit waren gekomen, zoals in “Jonge mensen die hun moeder vertrappen”.
In 1926 veroorzaakte hij veel controverse met zijn schilderij “De Maagd berispt het kindje Jezus voor drie getuigen: André Breton, Paul Éluard en de schilder”. Ook in 26 nam hij een opdracht aan voor diens ballet “Romeo en Julia”, samen met Miró. Tot ergernis van de surealisten die deze balletten bekeken als het summum voor burgerlijkheid. Bij de première hielden sommigen acties om protest in de zaal te laten horen tot ze door de politie werden buitengezet. Ernst bleef niettemin op vriendschappelijke voet met Breton, hij volgde wel meer zijn eigen weg. In 27 huwde hij Marie-Berthe Aurenche, in 1930 verscheen hij in de surrealistische film “L’Âge d’Or” van Luis Buñuel, vooral bekend omwille van de scène waarin een mensenoog wordt opengesneden en een eierdooier uitkomt. In 34 begon hij met beeldhouwen, soms met Giacometti.
In WO II werd hij als ongewenste buitenlander geïnterneerd in Camp des Milles, nabij Aix-en Provence. Hij woonde toen samen met de surrealistische schilderes Leonora Carrington, die hun huis diende te verkopen om naar Spanje te trekken. Kort nadien werd hij met hulp van Éluard en andere vrienden bevrijd, om opnieuw gearresteerd te worden door de Duitse gestapo. Met de hulp van een journalist en de kunstverzamelaarster Peggy Guggenheim wist hij te ontsnappen en naar Amerika te vluchten in 1941 waar hij met Peggy trouwde, eveneens een huwelijk van korte duur. Ze woonden in New York, waar ook Duchamps en Chagall waren. In 46 huwde hij met de surrealistische schilderes Dorothea Tanning, ze vestigden zich in Sedona, Arizona in een dorp in de woestijn tussen monumentale rode rotsen. Later zou het een Amerikaanse kunstenaarskolonie worden. Ernst bouwde er eigenhandig een klein huisje. Als gevolg van zijn boek “Beyond painting” kreeg hij financieel succes. Vanaf de jaren vijftig woonde hij vooral in Frankrijk, op de biënnale van Venetië kreeg hij de Grote Prijs voor Schilderkunst. Hij stierf in 1976. |
| |

Max Ernst, Le triomphe du surrealisme |
| |
| Joan Miró (1893-1983) werd geboren als Joan Miró i Ferrà in Conudella, Spanje, als zoon van een goudsmid-horlogemaker, en de dochter van een meubelmaker. Op aandringen van zijn vader studeerde hij handel en hij mocht ook de Llotja School voor Schone Kunsten volgen in avondlessen, als tijdverdrijf. Daar werd hij meest beïnvloed door de leraars Urgell en Pascó. Na zijn bedrijfsopleiding werkte hij twee jaar als klerk in een drogisterij. Toen hij terugkeerde naar Barcelona wou hij schilder worden met toestemming van zijn vader. Hij schreef zich in aan de kunstacademie onder Francesc d'Assís Galí, waar hij de nieuwste artistieke trends leerde tot aan de sluiting in 1915. Hij volgde lessen in modeltekenen aan de kunstenaarskring Sant Lluc , waar hij bevriend raakte met Josep Francesc Ràfols, Sebastià Gasch, Enric Cristòfor Ricart en Josep Llorens i Artigas, met wie hij de kunstenaarsgroep Agrupación Courbet oprichtte. In WO I had hij verplichte militaire dienst, die hij niettemin kon combineren met zijn schilderen, in Barcelona in het neutrale Spanje. In 1918 had hij zijn eerste solotentoonstelling in de toen florerende Dalmau Galleries in Barcelona, waar ook de grote Franse schilders werden tentoongesteld tijdens de oorlog.
In Montroi, waar hij de zomer doorbracht, en nog vele jaren zou blijven doen, werd zijn werk kleurrijker en verdwenen de strakke vormen. Zijn zo typische iconografieën en tekens kwamen op in zijn werk “Wijngaarden en olijfbomen van Montroig”. In 1920 bezocht hij Parijs, na de volgende zomer vestigde hij er zich. Hij deelde een atelier met de beeldhouwer Gargallo. Via Dalmau bekwam hij een solotentoonstelling in Galerie La Licorne. Hji had gunstige kritieken maar verkocht geen werk. Met Masson bezocht hij de bijeenkomsten van Max Jacob, waar Picasso twee werken van hem kocht. In 1921 en 22 schilderde hij “De boerderij”, het hoogtepunt van zijn “gedetailleerde periode”, de boerderij van zijn familie in Montroig. Hij probeerde het werk via kunsthandelaren te verkopen. Rosenberg, de verkoper van Picasso, stelde voor het werk in stukken te verdelen hiervoor. Miró was woedend en bracht het terug naar zijn atelier. Viot van de Piere Gallery verkocht het uiteindelijk aan de schrijver Hemingway.
Bij Gargallo kwam hij in contact met de kunstenaars van de Dada-beweging, die in 1924 de surrealistische groep oprichtten onder leiding van Breton. Hij vond het de perfecte richting voor zijn werk. In 1925 hield hij een expositie in de Galerie Pierre. De surrealisten hadden mee ondertekend en Picasso had buiten een orkest ingehuurd. Er was zoveel volk dat ze in shiften moesten binnenkomen. Recensies en verkoop liepen goed.
In 26 werkte hij met Ernst aan ontwerpen voor Diaghilev’s “Ballets Russes”. De overige surrealisten vonden dat kleinburgerlijk en vonden het opzet een verraad, ze protesteerden heftig op de opening. Maar beide schilders bleven vertegenwoordigd in Breton’s tijdschrift “La Révolution Surréaliste”. In 1927 maakte hij illustraties voor een boek van Foix. Hij verhuisde naar een groter atelier, zag Ernst en Éluard terug en maakte kennis met Bonnard, Magritte en Arp. In 1928 reisde hij naar België en Nederland. Terug in Parijs schilderde hij drie werken met de naam “Dutch Interior”, geïnspireerd op “De luitspeler” van Sorgh uit de zeventiende eeuw, en een aantal imaginaire portretten. Miró huwde Pilar Juncosa in 29, ze vestigden zich in Parijs.
Tussen 1928 en 30 werden onderlinge verschillen in de surrealistische groep steeds duidelijker, esthetisch en politiek. Hij nam meer en meer afstand van de groep. Met Leiris, Bataille en Masson verzette hij zich tegen acties van Breton, die bij de communistische partij was, Miró verkoos Rimbaud boven Marx. In 1930 exposeerde hij met sculptuurobjecten in de Pierre Galery en had hij zijn eerste solotentoonstelling in New York. Hij maakte litho’s voor Tzara’s boek “L’Arbre des voyageurs”. Toen de danser en choreograaf zijn collages zag, liet hij Miró decors, objecten en kostuums maken voor zijn ballet “Jeux d’enfants”, met groot succes. Van begin 1932 woonde hij in Barcelona, met regelmatige reizen naar Parijs. Hij was bij de Catalaanse kunstenaarsvereniging “Amics de l’Art Nou” en had exposities is Barccelona, Parijs, Londen, New York en Berlijn. Miró kreeg opdracht voor grootschalig werk voor het Spaanse paviljoen op de Internationale expositie van 1937 in Parijs, naast Picasso met zijn “Guernica”, Calder, González en Sánchez. Hij schilderde “De Maaier”, een Catlaanse boer met sikkel in revolutionaire houding. Toen het paviljoen werd opgebroken verdween het werk. Tussen 40 en 41 woonden hij afwisselend in Varengeville-sur-Mer (Normandië) en Palma de Mallorca. Het zien van de hemel daar inspireerde hem tot zijn 23 kleine werken, “Constellations”. In 1946 werkte hij aan mallen voor bronsgieten, op sommige plaatsen felgekeurd, met erin diverse alledaagse of gevonden voorwerpen. Hij maakte ook litho’s en gravures, in 1947 werkte hij in Atelier 17” onder Hayter voor zijn kennis diepdruk. In 1958 werd een boek uitgegeven onder dezelfde titel “Constellations”, met 22 aquarellen en proza van Breton. Vanaf 1960 werd zijn werk voeiend en heel eenvoudig. Hij produceerde ook veel sculpturen, zoals die voor de Maeght Foundation in 1965, of een monumentaal sculptuur “Miss Chicago”. Samen met Artigas maakte hij zijn laatste, “Woman and Bird”, van beton met keramische tegels. Hij was niet bij de onthulling ervan door zijn fragiele gezondheid. In 69 was er een grote retrospectieve in het Pasadena Museum in Californië. |
| |

Joan Miró, Harlequin's carnival, 1925 |
| |
| Chaïm Soutine (1893-1943) werd geboren in Smilovitchi bij Minsk in Litouwen in een arme, Joodse conservatief-religieuze gemeenschap, als tiende kind van elf, bij een kleerhersteller, niet eens een kleermaker, onderaan de ladder van de strenge hiërarchie van de Joods-Oosteuropese shtetl-cultuur. Op zijn dertiende tekende hij op alle snippers papier die hij kon vinden en met houtskool op de muren. Zijn vader wou van hem een kleermaker maken of een schoenmaker. Zijn familie spotte met zijn tekenzucht en twee oudere broers straften hem telkens fysiek, en pompten hem in dat een Jood niet mocht schilderen. De slagen werden een ritueel, Soutine ontvluchtte zijn broers in de bossen tot de honger hem dwong terug te keren. Hij was erg gek op de melk en het warme zwarte brood dat hem wachtte in de keuken, maar zijn broers wachtten hem daar op om hem ervan langs te geven. Toen hij 16 was vroeg hij een wrome Jood om voor hem te poseren. ‘s Anderedaags kwam diens zoon met vrienden, mishandelden hem zwaar en lieten hem voor dood achter. Hij overleefde, maar het duurde een week tot hij terug kon lopen. Zijn moeder diende een klacht in en Soutine ontving een compensatie van 25 roebels. Met dat geld trok Soutine met Michel Kikoïne naar Minsk om kunstenaar te worden. Hun eerste leraar was Krueger in privéles. Een jaar later trok Soutine naar Vilna en volgde de driejaarlijkse opleiding aan de School voor Schone Kunsten. Hij mislukte in zijn eerste toelatingsproef door zenuwachtigheid, ging tranen plengen bij de professor en slaagde bij de hem toegelaten herkansing. Zijn schetsen naar de natuur toonden verdriet, miserie en lijden. Hij verborg zijn werk en vernietigde waar hij niet tevreden over was, en bleef dit zijn hele leven doen.
In de cultuur waarin hij opgroeide werd tekenen en schilderen gezien als zondig. Het tweede gebod verbood het maken van elk beeld “van alles wat in de hemel boven is, beneden op aarde of in het water onder het oppervlak”. Er was angst voor het visuele, kijken was gevaarlijk. Een zwangere vrouw mocht nergens naar kijken om de ongeboren baby niet in gevaar te brengen of geen monster te baren. Een gehandicapt of een lelijk persoon werd “verkeerd bekeken” genoemd. Ook na de geboorte mocht je niet teveel naar de baby kijken. Het “boze oog” was de oorzaak van zowat elke ziekte. Een bescherming ertegen was het “wegpraten”, de “opshprekker” was een beroep. Soutine schilderde vaak wat niet bekeken mocht worden. Een hangende kip in beweging slaat op het ritueel van Yom Kippur, op de vooravond van het feest moest de shtetl de zondebok slaan, wat het “ronddraaien van het gevogelte” werd genoemd, de kip werd rond het hoofd van de boetedoener gewikkeld om zijn zonden weg te nemen, met bijhorend gebed. Een hond werd aanzien als een onbetrouwbaar en gevaarlijk beest, Soutine schilderde een hond met handachtige vorken die zijn buik openscheuren. Een dier om te eten moest zo snel en pijnloos mogelijk geslacht en verdeeld worden om kosher te zijn, Soutine schilderde karkassen. Het schilderen van alles wat verboden werd ervaarde hij als een schreeuw, die hem nooit heeft verlost.
In 1913 geraakte Soutine in Parijs met een treintiket, gekocht met wat hij in die drie jaar had gespaard. Zijn vriend Pincus Krémègne woonde toen reeds in “la ruche”, een rotonde gebouwd voor de Parijse wereldtentoonstelling. Pincus toonde hem de ateliers waar Chagall, Modigliani, Léger, Lipshitz en Kiesling werkten of hadden gewerkt. Modigliani werd zijn vriend en fan en bracht Soutine in contact met de verzamelaar Zborowski. Zes jaar bleef Soutine er wonen en had er zijn atelier, naast nog een tweede adres. Ondanks alle contacten met de avant-garde bleef Soutine lesvolgen bij Corman. Hij leefde in grote armoede, met af en toe jobs als kruier in een treinstation of in de oorlog als grafdelver. Hij stond urenlang buiten om café crême of sandwishes te verkopen, thuis leverde hij verwoede strijd om insecten uit zijn bed te houden. Hij wou zich verhangen maar Krémègne overtuigde hem geen zelfmoord te plegen. Soutine vond El Greco een groot meester en had veel aan de werken van Van Gogh, Cézanne en Bonnard.
In 1918 verliet hij Parijs voor Cagnes. In 1919 bezocht hij Céres in de Pyreneeën en ging er drie jaar wonen, terwijl hij ondersteund werd door Zborowski. Hij schilderde er een tweehonderdtal werken in een heel eigen stijl, beschreven als “expressionistische behandeling van scènes eerst gefilterd door de ogen van een kubistische schilder”. Hij schilderde landschappen, en verwrongen portretten waarvan de personages toch herkenbaar bleven, in Céret vooral mannen, in Cagnes vooral vrouwen. In deze Cagnes-periode (1913-25) pendelde hij over en weer naar Parijs. In 1925-29 schilderde hij in Parijs stillevens, dode fazanten, kalkoenen, konijnen, rundskarkassen, roggen, evenals portretten in uniform in hotels en restaurants. Meer kleur, textuur en nuances getuigen dat hij toen geen hongersnood meer had. Hij werkte meer in series, soms tot 20 keer hetzelfde onderwerp. Hij leefde zo mee met zijn onderwerpen, dat hij bij een verzamelaar een vroeger portret van een kind terugvroeg omdat ze leed van haar kapotte schoenen. Hij vond zijn werk beter dan dat van Modigliani, Chagall of Krémègne, ofschoon hij er veel vernietigde. Hij legde er soms enige op de vloer, keek er urenlang naar en vernietigde ze met een mes. Vooral op zijn werken uit Céret had hij het gemunt. Soms ruilde hij bij verzamelars nieuwe werken voor oude, om ze te kunnen vernietigen. Soms knipte hij er een figuur uit die hij wou bewaren. Hij was gekant tegen alle belangrijke kunst van de twintigste eeuw. In 1923 kocht dr. Barnes 50 à 100 werken van hem, waarna hij ook door andere verzamelaars gegeerd werd. Hij had de rest van zijn leven geen nood meer, vermeed zijn vroegere Parijs en brak met de meeste van zijn vroegere vrienden. Na de uniformen van Parijse nachtclubs schilderde hij liever eenvoudige mensen in burgerlijke huizen, zonder ambities en zonder dat de portretten omwille van de personnages gegeerd werden, in huishoudelijke kledij. Na 1936 werden zijn landschappen meer visionnair, majestueuzer, lyrischer, soms met scènes uit zijn eerste jaren in Parijs. In 1931-35 bracht hij de zomers door in Chartres in de château van de patroons. Zijn productie en inspiratie werden merkelijk minder, hij maakte lange wandelingen op zoek naar het juiste landschap. In WO II moest hij noodgedwongen onderduiken buiten Parijs. Toen zijn maagzweer verergerde in 1943 moest hij noodgedwongen en ondanks het gevaar, naar een Parijse kliniek, waar hij stierf tijdens de operatie. |
| |

Chaïm Soutine, Maisons aux toits pointus, 1920-21, oil on canvas |
| |
Marcel Janco (1895-1984) werd geboren als Marcel Hermann Iancu in Boekarest, in een Joods gezin van hogere middenklasse, als oudste van vier kinderen. Zijn vader was textielhandelaar, zijn moeder was Moldavisch. De tweede verhuis was naar Trinității in Boekarest waar ze een groot woon- en tuincomplex hadden gebouwd. Hij beschreef zijn thuis als een welgesteld gezin en “een opvoeding in een klimaat van vrijheid en spirituele verlichting”. Hij schreef dat zijn moeder muzikaal was, zijn vader een strenge en ijverige koopman. Het bestaan van kansarme, zwakke en arme mensen bracht bij hem een schuldgevoel. Janco kreeg tekenlessen van een Roemeense Joodse schilder Iser, zijn eerste olieverfschilderijen waren onder diens invloed postimpressionistisch. Met het gezin reisde hij naar Hongarije, Zwitserland, Italië en Nederland. Op de middelbare school ontmoette hij latere artistieke vrienden, zoals Tristan Tzara (die toen nog Tamyro heette). Hij was ook bevriend met de pianiste Clara Haskil. Het radicale artistieke heropleving van de kunst in Roemenië lag toen bij de symbolisten, met als tijdschrift Simbolul, waarvoor Janco de belangrijkste grafische vormgever was. Hij kon zijn ouders oververhalen het tijdschrift te sponseren. Na het Simbolul-incident (?) werd hij illustrator van de krant Seara. In die jaren maakten Tzara en hij ook kennis met de absurde proza van Urmuz, een amateur-schrijver, later de held van het Roemeense modernisme.
In de jaren 1910 volgde hij ook de parallelle ontwikkelingen in de Franse literatuur, en las hij Verlaine en Apollinaire. Ook een bron van inspiratie was het futurispme, opgericht door Marinetti en zijn kunstkring. In het begin van WO I verlieten Janco en zijn twee broers Boekarest en vestigden zich in Zürich, waar ze zich inschreven aan de universiteit. Omdat de oorlog de handelsroute belemmerde, verloren ze alle financiële steun, en Marcel kon ook geen schilderijen meer verkopen. Tot oktober 1917 verdienden hij en zijn broer Jules de kost als cabaretartiesten, met Roemeense folklore, accordeon en chansons. Ze kwamen in het gebouw in contact met de schrijver Hugo Ball, Emmy Hennings, de Roemeense schilder Arthur Segal, Tristan Tzara, Huelsenbeck, Sophie Taeuber, Hans Richter en andere kunstenaars, en richtten het “Cabaret Voltaire” op. Ze evolueerden van futurisme naar “anti-kunst”. Janco maakte decors, kostuums, maskers, “gedichten”. Janco bleef buiten het cabaret ook olieverschilderijen maken.
De groep noemde zich later “dadaïsten”. De geëmigreerde kunstenaars voelden zich machteloos tegenover de oorlog en wilden hun protest en walging laten horen vanuit het neutrale Zwitserland. Hugo Ball schreef het dada-manifest in 1916. Janco schreef hierover “We hadden ons vertrouwen in onze cultuur verloren. Alles moest met de grond gelijk gemaakt worden. We zouden opnieuw beginnen met een schone lei. In het Cabaret Voltaire begonnen we het gezond verstand, de publieke opinie, het onderwijs, de instellingen, de musea, de goede smaak, kortom, de hele heersende orde, te choqueren.”
Hugo Ball beschreef hoe hij op zijn eerste optreden een kubistisch kostuum aan had, zo onbeweeglijk dat hij het podium moest worden opgedragen, waar hij een van zijn “klankgedichten” majestueus voorlas, in een onbestaande taal, waardoor de spot werd gedreven met de dichtkunst. Tzara schreef zijn werk “Schreeuw”, één woord dat 147 keer werd herhaald. Hennings zong volksliederen en draagde voor met een opzettelijke schelle stem, om het publiek te irriteren. Ze deden verder onder luid protest in de zaal, en zochten steeds provocerender manifestaties. Het publiek gooide met tomaten en eieren, later zelfs met biefstukken, terwijl de hongersnood in Europa woedde. Er werd geschilderd en de werken onmiddellijk vernield, want waarom kunst bewaren dat overal werd kapotgemaakt in de oorlog? Ze bestreden sociale, politieke en culturele ideeën met volkomen abstractie. Ze chockeerden en toonden “vaudevilliaanse excessen”. Het ging er woelig aan toe. Dadaïstische tijdschriften werden verboden, kunstenaars werden gevangen gezet. Het publiek bestormde soms het podium. Het bourgeoispubliek begon er steeds meer een amusement in te zien. Het publiek had zelfs de zo typerende sarcastische lach overgenomen. Het had een enorm succes en bleek de ideale vorm van kunstpromotie te zijn. Net daardoor verloor het alle zin en in 1916 sloot het cabaret Voltaire zijn deuren. Het dadaïsme was toen nauwelijks begonnen, en zette zich verder op diverse andere plaatsen. In 1917 waren ze blij ook Paul Klee in hun groep te verwelkomen. Het aantal leden nam voortdurend toe: schrijvers, schilders, constructeurs, beeldhouwers… In 1918 verscheen schreef Tzara het tweede dada-manifest. De beweging verspreidde zich door heel Europa en zelfs in Azië. De belangrijkste centra waren Zürich, New York, Berlijn, Keulen, Hannover en Parijs, elk met een eigen accent. Ze deden optredens, tentoonstellingen, happenings, “simultane voordrachten”, fotomontages… In 1920 kwam de eerste internationale dada-beurs, waarin ook schilders tentoonstelden. In Keulen lanceerden Ernst, Baargeld en Arp een dadatentoonstelling in een café, waar deelnemers lang urinoirs moesten lopen en een meisje van twaalf las obscene gedichten voor in een plechtigecommuniejurk. De politie sloot de tentoonstelling wegens obsceniteit, de aanklacht werd ingetrokken en de zaak heropend. Janco nam deel aan de dada-tentoonstellingen en werkte mee aan de provocerende produkties van Oskar Kokoschka. Hij werkte ook als illustrator van Tzara.
Al in 1917 begon Janco afstand te nemen van de beweging. Hij had ruzie met Tzara, hij, zijn collega-schilder Hans Arp en andere kunstenaars, vonden dat er iets in de plaats moest komen van de bespotte kunst. Hij wendde zich af van Tzara’s nihilisme en trok meer naar de “kunst omwille van de kunst” van Ball. Janco beschreef “dramatische ruzies” met Tzara’s “slechte grappen en schandalen”, en noemde hem een “wraakzuchtige zelf-promotor”. Er kwam een splitsing, Tzara en Janco negeerden elkaar voor de rest van hun leven. Met Arp, Baumann, Richter en Morach vormden ze de groep “Neue Kunst” als post-dada-constructivisten. In een manfest beroemde ze zich op “het herbouwen van de menselijke gemeenschap” en het einde van het kapitalisme. Janco was ook verbonden aan de “Artistes Radicaux”. Hij leerde meerdere kunstenaars kennen en had een vriendschappelijke relatie met de expressionisten van “Der Sturm”. In december 1919 trok hij met zijn broer Jules naar Frankrijk, hij huwde in Béthune met “Lily” Ackermann en werkte mee aan de wederopbouw van Frans-Vlaanderen. Het koppel kreeg twee dochters, één stierf jong. Janco bleef dada volgen en ook Tzara’s leerling André Breton. Hij werd medewerker aan het post-Dada-tijdschrift “L’Esprit nouveau”, exposeerde tegelijk ook elders en sloot zich ook aan bij het kubistisch collectief “Section d’Or”.
Eind 1921 trok hij met zijn vrouw naar Roemenië, verzoende zich met zijn ouders en kreeg al opdrachten voor architectuur terwijl hij daar nog geen licentie voor had. Een van zijn woningen werd zijn nieuwe thuis. Hij stelde schilderijen tentoon in de “Maison d’Art Club” in Boekarest. In 26 was hij er aanwezig in de “Hasefer Kunsttentoonstelling”. Hij werkte ook als kunstleraar in zijn atelier in Boekarest. Hij sloot zich aan bij zijn oude collega Vinea waarmee hij in 22 een kunsttijdschrift oprichtte “Contimparonul”, zijn bijdrage omvatte een zestal illustraties en 40 artikels. In 24 hielden ze een kunsttentoonstelling, met onder meer werken van Brâncuși, Brauner, Petrașcu, Arp, Eggeling, Klee, Richter, Kassák en Schwitters. Er waren ook meubels van Janco. Toen in Contimparonul een sculptuur werd afgebeeld van Brâncuși, “Princess X”, interpreteerde de politie het werk als sexueel en Janco en Vinea werden korte tijd gevangen gezet. Ze werkten ook samen met andere tijdschrijften, zoals “75 HP” en “Integral”van de dichteres Voronca, of “Punct” van Callimachi. In 26 maakte Janco sensuele tekeningen voor een boek met erotische gedichten van Baltazar.
In de jaren 20 richtte hij met zijn broer Jules een architectenbureau op, er was in 26 een bouwboom. Zijn belangrijkste doorbraak was de kubistische villa voor Jean Fuchs, door de pers bespot als “het mortuarium”. In 38 hadden de broers een veertigtal bouwwerken ontworpen in Boekarest. Janco was vervreemd geraakt van Lily, ze leefden gescheiden en Janco hertrouwde met Clara Goldschlager, ze kregen een dochter. Ze hadden een comfortabel leven en brachten zomers door in de badplaats Baltsjik. In 29 sloot Janco zich ook aan bij het kunstenaarscollectief “Arta Nouă”.
In 1930 gaf Janco een welkomsttoespraak op de reünie met de futurist Marinetti, wat leidde tot een definitieve afsplitsing van socialisten en surrealisten, omdat Minea en Marinetti banden hadden met de fascisten. Het tijdschrift Contimporanul ging failliet, de artistieke fractie bleef tot 1936. Begin jaren 30 was Janco ook bij de kunstvereniging “Criterion” onder leiding van de filosoof Mircea Eliade, die dialoog wou creëren tussen uiterst rechts en links. Hij werkte samen met de tijdschriften Cuvântul Liber en het modernistische “Adam”. De jaren 30 waren Janco’s gouden jaren qua architectuur, met zijn leerlinge Sterian werkte hij ook aan keramiek en fresco’s. Ook zijn illustraties waren erg gewild.
In 34 splitste “Criterion” zich, omdat sommigen zich openlijk aansloten bij de fascistische “Ijzeren garde”, de radikale pers beschuldigde de overgeblevenen ervan pedofilie te promoten in hun publieke optredens. Zijn dochter Josine werd uit de katholieke school gezet vanwege haar Joodse afkomst. Later schreef hij dat hem voordien nooit, ook niet tijdens WO I, was gevraagd of hij Joods was. In 1939 werden alle gebouwen van Joodse origine geconfisceerd. De Ijzeren garde richtte haar Nationale Legioenstaat op in Roemenië. Van vluchtelingen hoorde hij van mooddadigheid bij de Garde en van concentratiekampen. In 41 vluchtte hij met zijn vrouw en twee dochters naar Turkije, waarna ze door Syrië en Irak naar Tel Aviv trokken, waar hij als architect ging werken. Hij werkte mee met de lokale Joodse kunst in Brits-Palestina. In 45 en 46 kreeg hij er de Dizengoff-prijs (ook later in 50 en 51). Hij kreeg opdracht de nationale parken te ontwerpen en te onderhouden van het intussen onafhankelijke Israël. In 50 werden zijn werken tentoongesteld in New York en in 52 was hij bij de drie artiesten van het Israëlische paviljoen op de Biënnale van Venetië. Hij richtte een kunstenaarsgemeenschap op in Ein Hod op een gebied dat van een Arabier was afgenomen. Hij maakte ook reliëfs en wandtapijten. Hij had solotentoonstellingen in Tel Aviv (1959 en 72), Milaan (1960) en Parijs (1963). Janco was overwegend tolerant tegenover Palestijnen en had er contacten mee. Maar bij de betwisting van Ein Hod door Palestijnen organiseerde hij een verdedigingsmacht. Zijn vriend Costin verliet Israël en trok terug naar Frankrijk. In een huis van hem in Ein Hod werd een Janco-dadmuseum opgericht. |
| |

Marcel Janco, Untitled still life, ca1920 |
| |
|
| |