 |
|
Over-stromingen, Geschiedenis
van de moderne Schilderkunst |
ENGELSE
EN FRANSE REVOLUTIES IN DE SCHILDERKUNST, 1900 - 1910 |
| Fałat - Klimt - Loiseau - Kandinsky - Bonnard - Matisse - Kupka - Čiurlionis - De Vlaminck - Münter - Wojtkiewicz - Derain - Picasso - Braque - Delaunay |
|
| |
| Julian Fałat (1853-1929) was een Poolse realistische landschapsschilder, vooral bekend voor zijn sneeuwlandschappen. Hij voorzag zich in artistieke opleiding zonder enige steun van familie of beurzen. Na zijn diploma middelbaar onderwijs schreef hij zich in in 1869 aan de Hogeschool voor Schone Kunsten in Krakau. Omdat hij zich geen olieverf kon veroorloven, schakelde hij over op aquarel. Na zijn stdies werkte hij een jaar in Oekraïne als tekenaar bij archelogische opgravingen. Vervolgens werkte hij in het atelier van een architect in Odessa. Daarna ging hij verder studeren in Zürich en München en solliciteerde bij de Academie voor Schone Kunsten. Hij moest zijn studies onderbreken uit geldnod en werkte als technicus in het spoorweggebouw. Hij studeerde tot 1880 en schilderde toen voornamelijk landschappen, genretaferelen en portretten. In 1881 ging hij een jaar naar Rome. Van 1882 tot 1886 was hij verbonden aan de kunstenaarsgemeenschap van Warschau. Voor zijn onderhoud schilderde hij genretaferelen. In 1884 was hij een jaar in Spanje en daarna op wereldreis. Hij documenteerde die reis met aquarellen, waarvan er slechts een paar zijn bewaard gebleven. Na zijn terugkeer naar Polen in 1887 schilderde hij jachttaferelen. Zijn winterlandschap in het Berezina-panorama werd in 1907 dor de Kossaks in stukken gesneden.
Van 1886 tot 1895 werkte hij aan het hof van keizer Wilhelm II in Berlijn. Hij won medailles op tentoonstellingen in Berlijn, München en Wenen. In 1895 werd hij directeur van de School voor Schone Kunsten in Krakau, waar hij de faculteit hervormde door nieuwe professoren aan te stellen. Er kwam een afdeling landschapsschilderkunst onder Jan Stanisławski. Fałat was ook een van de oprichters van de Sztuka, de vereniging voor Poolse kunstenaars. In 1900 trouwde hij met de Italiaanse Maria Luiza Comello Stuckenfeld, ze kregen drie kinderen. Het eerste winterlandscap schilderde hij in 1902, het laatste in 1913. Hij schilderde ook zichten in Krakau en berglandschappen in Zakopane. In 1902 bouwde hij een villa met atelierin Bystra en vestigde zich daar blijvend na zijn ontslag als recotr van de Academie voor Schone Kunsten in 1910. In 1919 meldde hij zich als vrijwilliger bij het Poolse leger tijdens de Tsjechoslowaakse invasie in Silezië. Hij was assistent op een hoofdkwartier van een Cavalerieregiment. Na de onafhankelijkheid van Polen wijdde hij zich terug aan het culturele leven. Van 1919 tot 1922 woonde hij in Toruń, waar hij een huis had gekocht. Kunstenaars, diplomaten en culturele figuren kwamen er bijeen. Na de dood van zijn zoon schonk hij het huis aan de Pommerse Vereniging voor de Zorg voor Kinderen. Hij werd medeoprichtr van de “Kunstenaarsbroederschap”. Hj schilderde landscappen van Toruń en de rivier de Wisla. Hij bleef tot het eiden van zijn leven meester van de Broederschap en was directeur van de Kunstafdeling van minister Ponikowski. Hij hield retrospectieves in Krakau en Warschau in 1925. |
| |

Julian Fałat, Śnieg, 1906, olieverf op doek |
| |
|
|
| |
|
| |
| Gustav Klimt (1862-1918) was een Oostenrijkse symbolistische schilder en een van de oprichters van de Wiener Secession-beweging. Zijn onderwerpen waren portretten, landschappen en allegorieën. Hij werd geboren in Baumgarten nabij Wenen, als tweede van zeven kinderen. Zijn moeder wou muzikante worden, maar dat is niet gebeurd. Zijn vader was een goudgraveur uit een boerenfamilie. Hij kreeg weinig opdrachten en he gezin leefde in armoede. Dat werd erger doordat een zus overleed na vijf jaar ziekte. Nog een andere zus, de oudste, werd religieus waanzinnig, en bleef dat. Hun moeder had geregeld zware depressies.
Van 1876 tot 83 studeerde Klimt architectuurschilderkunst aan de Kunstgewerbeschule in Wenen, een school voor toegepaste kunst en ambachten, onder Laufberger en na diens dood onder Berger. Klimt’s vroege werk was heel academisch, hij bewonderde Hans Makart. In 1877 schreef zijn broer Ernst zich ook in in dezelfde school. In 1880 vormden ze samen met hun vriend Von Matsch de “Künstlercompagnie” en kregen ze tal van opdrachten. Ze hielpen hun leraar ook bij het beschilderen van het “Kunsthistorisches Museum”. Via Laufberger werkten ze ook voor Fellner & Hellmer, een Weens bedrijf gespecialiseerd in theaterbouw. Na hun studies betrokken ze samen een studio in Wenen en werkten verder aan hun opdrachten, zoals voourouderportretten voor het Roemeense koninklijk paleis, decoraties in het stadstheater van Karlsbad, of plafond en muren beschilderen van het Burgtheater in Wenen. Dat laatste was voltooid in 1888, en Klimt ontving een gouden kruis van de Oostenrijkse keizer voor het werk. Hij werd erelid van de universiteiten van Wenen en München. In 92 waren ze verhuisd naar een grotere studio vanwege hun succes, maar zijn vader stierf aan een beroerte en Ernst stierf ten gevolge van een verkoudheid. Klimt onderhield nu zelf zijn familie, had veel verdriet en maakte weinig werk. Vanaf 91 was hij overgegaan op een eigen, persoonlijke schilderstijl. In het begin van 1890 ontmoette hij Emilie Louise Flöge, een zus van de weduwe van zijn broer Ernst. Ze hadden een levenslange relatie, wellicht platonisch. Hij ontwierp veel kostuums die zij modelleerde. Klimt had vele relaties met vrouwen en verwekte minstens veertien kinderen.
In 94 kreeg hij opdracht voor hetdecoreren van het plafond van de grote zaal van de Universiteit van Wenen. Zijn drie schilderijen hiervoor heetten Filosofie, Geneeskunde en Rechtspraak, maar werden erg bekritiseerd wegens te radicaal en pornografisch, zowel esthetisch als politiek en religieus. Daardoor werden de drie werken nooit op het plafond aangebracht, zij werden later vernietigd door de terugtrekkende Duitse troepen toen ze het Schloss Immendorf in brand staken (met nog tien andere schilderijen). Daarna heeft Klimt geen publieke opdrachten meer aanvaard.
In 1897 werd Klimt een van de oprichters en voorzitter van de Wiener Secession en van het tijdschrift van de groep, Ver Sacrum (Heilige Bron). Hij bleef bij de Secession tot 1908. Ze promootten eigen kunstenaars en ook onconventionele buitenlandse. Ze hadden geen manifest en geen bepaalde stijl, naturalisten, realisten en symbolisten stonden er naast elkaar. De overheid steunde het project. In 1902 konden zijn vrienden hem tegenhouden om zijn schilderij “Goudvis” waarin een vrouw kwaad haar achterwerk laat zien, te betitelen als “Aan mijn critici”. Voor de veertiende tentoonstelling van de Secession voltooide hij het Beethovenfries (met ook het beeldhouwwerk van Max Klinger). Het gezicht van Beethoven leek op dat van Mahler.
In 1905 raakte de Secession on verdeeldheid toen Carl Moll door collega’s werd aangevallen voor zijn werk. Daardoor richtte Klimt in 1906 “Kunstschau” op, de Klimt-groep van de Secession, met ondere ook Moll en Wagner. Eind jaren 90 schilderde hij veel aan de Attersee, terwijl hij in vakantie was bij Flöge. Zijn werk toonden een uiterste verfijning van onderwerp met nadrukkelijke patronen, de diepte is er zo afgeplat dat men veronderstelt dat Klimt ze schilderde met behulp van een telescoop. Vanaf 1900 werd hij beroemd als “vrouwenschilder”, met de typische artnouveau-kenmerken van vlakheid, decoratie en bladgoud. Oudtestamentische en Grieksmythologische heldinnen transformeerde hij tot “femmes fatales”. Leven, liefde en dood waren zijn grootste thema’s, seks en vrouwelijkheid werden gezien als verleidelijk gevaar. Zijn werk “Pallas Athena” (1898) wordt gezien als het eerste van zijn “gouden” periode, waarin bij bladgoud verwerkte. Klimt werd aanzien als de schilder die het meest door de Japanse kunst werd beïnvloed, met onder andere de vlakheid, de decoratieve patronen en het bladgoud als kenmerken van Japanse kamerschermen en scrolls. De gouden fase bracht Klimt veel positieve kritieken en financieel succes. Zijn goudtechniek was ook geïnspireerd door byzantijnse uitbeelding, door zijn bezoeken aan Venetië en Ravenna.
In 1904 werkte hij mee aan het Stoclet-paleis. Klimt leefde vrij afgezonderd, toegewijd aan zijn kunst, zijn gezin en de Secession. Hij vermeed cafébezoek en ontmoette zelden andere schilders. Thuis droeg hij sandalen en een lange jurk zonder ondergoed. Zijn affaires hield hij geheim. Hij schreef weinig over zijn visie of methodes. In 1911 ontving zijn werk “Dood en leven” de eerste prijs op de wereldtentoonstelling in Rome. Hij herwerkte het in 1915. In 1918 kreeg hij een beroerte en raakte rechts verlamd, een drietal weken later overleed hij aan longontsteking bij een Spaanse griep. Tal van werken bleven onvoltooid. Pas een jaar later verschenen zijn prenten “Fünfundzwanzig Handzeichnungen”, waarvan vele met naakte vrouwen die masturbeerden of in lesbische omhelzingen, uitgegeven in een beperkte oplage van 450 exemplaren, publiekelijk tentoongesteld in 1910 en 1913. |
| |

Gustav Klimt, Portrait of Adele Bloch-Bauer, 1907, oieverg, goud en zilver op doek |
| |
| Gustave Loiseau (1865-1935) was een Franse postimpressionistische schilder vooral met landschappen en scènes van dorpen en steden. Hij was geboren in Parijs en groeide op in Pontoise, waar zijn ouders eigenaar waren van een slagerij. Op zijn vijfde verhuisde de familie naar het centrum van Parijs. Zijn opleiding werd verstoord door de Frans-Duitse oorlog, wellicht zijn ze in de woeligste dagen gevlucht naar Pontoise. In de jaren 80 ging hij in de leer bij een slager. Hij was er niet gelukkig mee en na een bijna fatale tyfus besloot hij kunstschilder te worden. Zijn ouders stuurden hem naar een vriend en decorateur om de basistechniek van het schilderen aan te leren. Hij raakte er ook bevriend met de landschapsschilder Quignon. Zijn militaire dienstplicht onderbrak zijn werk maar daarna (1884) keerde hij terug naar het schildersbedrijf en begon landschappen te schilderen.
Een erfenis van zijn grootmoeder in 1887 liet hem genoeg na om zich toe te leggen op kunstschilderen. Hij begon aan de École des arts décoratifs. Hij woonde er goedkoop in de “maison de trappeur” waar later ook Picasso zou wonen. Hij gaf zijn studie op na een jaar tengevolge van ruzie met een docent en wist Quignon te overhalen om hem verder les te geven. Quignon schilderde landschappen met fascinatie voor licht, maar bleef zijn werken afmaken in zijn studio. Op diens aanraden trok Loiseau in 1890 naar Pont-Aven in de voetsporen van Gauguin, Laval en Bernard, maar toen hij er aankwam was Gauguin teruggekeerd naar Parijs en waren vele volgers naar Le Pouldu verhuisd. Hij ontmoette er de schilder Maufra, die zijn zakenleven had opgegeven voor de schilderkunst, en werd levenslang bevriend. Hij werd ook bevriend met Henry Moret. Zij ontwikkelden hun eigen artistieke visie.
Na experimenten met pointillisme koos hij voor plein-air post-impressionisme. Hij schuwde stromingen. In 1890 en 1896, exposeerde hij op de impressionistische tentoonstellingen, vanaf 1893 op de Salon des Indépendants, in 1895 op de Salon de la société nationale. In 1899 woonde hij comfortabel in Pont-Aven en had er een kleine tentoonstelling samen met Séguin, Chaudet en Forbes-Robertson. In de vroege jaren 90 introduceerde Maufra hem bij de kunsthandelaar Le Barc en zijn gallerij, Le Barc de Boutteville en door die galerij de verzamelaar Depeaux. In 93 stelde hij tentoon op de Société des Artistes Indépendants en nam hij ook deel aan 5de “exposition des peintres impressionnistes et symbolistes”. Het werk ‘Paysage” toonde hij gekanteld. Hij bleef tot in 94 op de salons tentoonstellen en tot op de 11de “exposition des peintres impressionnistes et symbolistes”. Hij werd bevriend met Gauguin en bleef hem bezoeken toon hij met een gebroken been in het hospitaal lag, ten gevolge van een aanval van zeelieden. In 1895 ontmoette hij Durand-Ruel, in 97 boden zij hem een contract aan, waarbij zij het grootste deel van zijn werk kochten. Met die zekerheid ging hij vaker door Frankrijk reizen. Hij woonde in Moret-sur-Loing, plus in de zomer in Bretagne en in de winter in Normandië. In 1900 trouwde hij met Marie Michaud. Enkel in de oorlog 14-18 bleef hij in de regio rond Parijs en stelde tentoon op de Salon d’Automne. Na de oorlog schilderde hij naast straatscènes ook stillevens. Van 22 tot 28 schilderde hij in zijn typische traliewerktechniek (en treillis), cross-hatching genaamd, met gekruiste kleurstrepen, als een raster, om licht en atmosfeer te creëren. Hij schilderde steeds abstracter en nam in 26 voor het laatst deel aan de tentoonstelling van Les Indépendants, maar bleef daarna nog exposeren in de galerij van Petit. Hij was 70 toen hij in 35 overleed, het jaar daarop hield de Salon des Indépendants een retrospectieve. |
| |

Gustave Loiseau, Pausage de Dordogne, 1926, oil on canvas |
| |
|
|
| |
|
| |
| Wassily Wassilyevich Kandinsky (1866-1944) was een Russische schilder en kunsttheoreticus. Hij werd geboren in Moskou als zoon van een theehandelaar. Hij studeerde er rechten en economie. In 1871 leerde hij cello en piano spelen. In 1892 trouwde hij met zijn nicht Anja Chimiakina, en werd docent rechtspraak aan de universiteit van Moskou. In 1896 gaf hij zijn veelbelovende carrière als docent rechten en economie op en verhuisde hij naar München, waar hij zich inschreef om te leren onder Franz von Stuck, maar hij werd niet toegelaten. Hij studeerde er dan eerst aan de privéschool van Anton Ažbe, daarna aan de Academie voor Schone Kunsten. Hij raakte in de ban van impressionistische schilderijen, evenals van Wagner’s muziek en de theosofie van Blavatsky. In zijn boek “Over het spirituele in de kunst” (1910) staan theosofische stellingen. Op de academie werd hij leraar van Gebriele Münter, die later zijn partner werd. Zijn eerste stijl was pointillistisch en soms fauvistisch, symbolistisch als onderwerp, vaak geïnspireerd op de Russische volkskunst. Zijn stijl evolueerde naar fauvisme en abstractie, kleuren waren steeds minder naar de natuur, maar een middel tot uitdrukken. Een bekend werk is “Der blaue Reiter” (1903) die qua stijl zijn later werk vooruitging. In 1903 verloofde hij zich met Gebriele Münter, terwijl hij nog getrouwd was. Vanaf 1906 reisden ze uitgebreid door Europa, Rusland en Noord-Afrika tot 1908. Hij scheidde van Anja in 1911.
Hij werkte mee met de symbolistische groep “Der blaue Rose” in Moskou, en vestigde zich uiteidelijk in het Beierse Murnau. Hij las Annie Besant en Leadbeater en in 1909 werd hij lid van de Theosophical Society. In zijn boek “Over het spirituele in de kunst” (1910) promoot hij de abstracte kunst. Kleur kon volledig autonoom zijn, los van visuele beschrijvingen. Dat boek maakte hem wereldwijd bekend. Kandinsky nam in 1910 deel aan de "Allied Artists' Exhibition" in de Royal Albert Hall in Londen. Hij werd er verder bekend nadat Sadleir citaten uit zijn boek had overgenomen. In de jaren 1910 bestonden zijn schilderijen in expressieve kleurvlakken, niet langer afgebakend door vorm of lijn. Muziek was belangrijk voor hem, hij benoemde zijn werken vaak met muzikale termen. Zijn meest spontane werken noemde hij “improvisaties”, de meer uitgewerkte “composities”. In 1909 werd hij voorzitter van de “Neue Künstlervereinigung München”, de NKVM, die hij mee had opgericht, samen met Marianne von Werefkin, Alexej von Jawlensky, Adolf Erbslöh en een Duitse promoter, verzamelaar, luchtvaartpionier en musicus Oscar Wittenstein.
Nog vóór hun eerste tentoonstelling introduceerde Kandinsky als eerste voorzitter de “vier vierkante meter clausule” in de statuten vanwege een menigsverschil met de schilder Palmié, die clausule maakte het mogelijk om in 1911 de NKVM ter verlaten. Toen Kandinsky in 1911 zijn schilderij “Compositie V” indiende voor de derde tentoonstelling, wees de jury het werk af. Als reactie daarop vormden Kandinsky, Münter, Marc, Macke, Bloch en anderen een afgescheiden rivaliserende groep, met een parallelle tentoonstelling op dezelfde locatie, de Thannhauser Galerie, in ruimtes grenzend aan de officiële tentoonstelling. Ze namen als naam “Der blaue Reiter”. Kandinsky trad af als voorzitter van de NKVM, maar bleef wel lid, en werd er opgevolgd door Erbslöh. Kandinsky en Franz Marc waren de enige twee redacteuren van de Blaue-Reiter-almanac. Ze hielden twee tentoonstellingen om hun kunsttheorieën te demonstreren, in 1911 en in 1912. Daarna hielden ze reizende tentoonstellingen in Duitse en andere Europese steden, met hedendaagse kunst, primitieve kunst, volkskunst en kindertekeningen. In 1913 exposeerden ze op de eerste Duitse Herbstsalon. Der blaue Reiter werd opgeheven in 1914 doordat WOI uitbrak. De blauwe Reiter was een beweging maar geen echte kunstgroep zoals bijvoorbeeld “Die Brücke” in Dresden. Marc en Macke sneuvelden in de oorlog. Marianne von Werefkin en Alexej von Jawlensky vluchtten naar Zwitserland. Er waren ook spanningen in de groep door meningsverschillen. Kandinsky’s relatie met Münter verslechterde door spanningen en teleurstellingen te wijten aan zijn gebrek aan toewijding in het huwelijk. Via Zwitserland en Zweden kwam hij terug in Rusland terecht. In 1916 ontmoette hij Nina Nikolajevna Andrejevskaja, die toen 17 was en hij 50. In 1917 kregen ze een zoon, Lodja, die stierf in 1920.
Van 1918 tot 1921 was Kandinsky betrokken bij de Russische cultuurpolitiek en werkte hij mee aan kunstonderwijs en museumhervorming. Hij schilderde in deze periode weinig. Hij hielp mee bij de organisatie en was directeur van het “Instituut voor Artistieke Cultuur” in Moskou , maar zijn visie op de kunst werd door de radicale leden verworpen als te individualistisch en te burgerlijk. In 1921 werd hij uitgenodigd door de oprichter van het Bauhaus, de architect Walter Gropius, om hen in Weimar te bezoeken. In 22 nam hij deel aan een internationaal congres en ondertekende de “Oprichtingsproclamatie van de Unie van Progressieve Internationale Kunstenaars”. Kandinsky gaf les aan het Bauhaus in ontwerp voor beginners en theorie voor gevorderden, alsook schilderlessen en kleurenleer. In 1926 publiceerde hij zijn 2de boek “Punt en lijn naar vlak”. Zijn onderzoek naar de kracht van rechte lijnen en krommen viel samen met de Gestaltpsychologie die ook in het Bauhaus werd onderwezen. Zijn schilderijen waren nu geometrisch abstract, met cirkels, hoeken, rechten en krommen. Zijn werk bleef kleurrijk. Kandinsky was een van “Die Blaue Vier”, samen met Paul Klee, Lyonel Feininger en Alexej von Jawlensky. Hun werk werd vanaf 1924 gepromoot door Scheyer in de VS. Vanwege de vijandigheid van extreem rechts verhuisde het Bauhaus naar Dessau. Na een lastercampagne van de nazi’s verhuisden ze naar Berlijn. In 33 werd het ontbonden. Een nazi-aanval op het Bauhaus in de jaren dertig resulteerde in de inbeslagname van Kandinsky's eerste drie Composities. Ze werden tentoongesteld op de door de staat gesponsorde tentoonstelling “Degenerate Art” en vervolgens vernietigd, samen met werk van Paul Klee, Franz Marc en andere moderne kunstenaars.
Kandinsky verliet Duitsland en vestigde zich met zijn Russische vrouw in Parijs. Hij schilderde in een woonkamerstudio. Niet-geometrische biomorfe vormen verschijnen in zijn werk, met geometrische patronen binnenin. Hij inspireerde zich op de kleuren van de Slavische volkskunst en mengde zijn verf soms met zand. In 36 en 39 schilderde hij zijn laatste twee grote composities. In 39 werd hij staatsburger en schiep een aantal van zijn belangrijkste werken . Hij stierf in 44 in Neuilly-sur-Seine. |
| |

Wassily Kandinsky, Autumn landscape with boats, 1908, oil on board |
| |
| Pierre Bonnard (1867-1947) was een Franse schilder, illustrator en graficus. Hij was geboren in Fontenay-aux-Roses in 1867. Zijn moeder kwam uit de Elzas. Zijn vader Eugène kwam uit de Dauphiné en was een hoge ambtenaar bij het Franse Ministerie van Oorlog. Hij had een broer, Charles, en een zus, Andrée, die in 1890 trouwde met de componist Claude Terrasse.
Bonnard werd opgeleid aan het Lycée Louis-le-Grand en het Lycée Charlemagne in Vanves, en toonde talent voor tekenen en schilderen. Hij schilderde in de tuinen van hun landhuis en maakte karikaturen. Hij had ook veel intresse in klassieke litaeratuur. Hj behaalde zijn bacchalaureaat in de klassieken en om zijn vader tevreden te stellen behaalde hij een licentie in de rechten in 1887. Vanaf 1888 werkte hij als advocaat. Hij had zijn vergunning behaald maar zakte in het examen voor het officiële register. Tijdens zijn studie van rechten volgde hij ook nog kunst aan de Académie Julian in Parijs. Hij ontmoette er Sérusier, Denis, Ibels en Ranson. Met hen richtte hij de groep Les Nabis op, elk met verschillende stijlen en filosofieën, maar gemeenschappelijke artistieke ambities. Ze werden sterk beïnvloed door Gauguin. Sommige nabi’s werkten symbolistisch, met een sterk religieuze, mystieke of filosofische inhoud, maar Bonnard bleef vrolijk en onafhankelijk. In 1888 werd hij toegelaten tot de École des Beaux-arts, waar hij Vuillard en Roussel leerde kennen. De schrijver Lugné-Poe beschreef hem als de humorist en satirist. In 1889 en 90 vervulde hij zijn militaire dienst. In 1891 ontmoette Bonnard Toulouse-Lautrec en toonde hij zijn werk op de jaarlijkse tentoonstelling van de Société des Artistes Indépendants. Hij en Vuillard werkten voor de Revue Blanche. De werken van de Nabis werden tentoongesteld in de galerie Le Barc de Boutteville. Bonnard had een Japanse collectie kunnen zien in de galerij van Bing in 1890, die ook een maandelijks tijdschrift had in kleurendruk, Le Japon artistique. In 1893 werd een grote tentoonstelling van werken van Utamaro en Hiroshige gehouden in de Durand-Ruel Galerie. De Japanse invloed, met het gebruik van meerdere gezichtspunten en het gebruik van gewaagde geometrische patronen in kleding, zoals geruite blouses, begon in zijn werk te verschijnen. Vanwege zijn passie voor Japanse kunst werd zijn bijnaam onder de Nabis “Le Nabi le trés japonard”. Hij wijdde zich meer en meer aan decoratieve kunst en ontwierp affiches, meubels, stoffen, waaiers en andere objecten. Vanaf 92 maakte hij ook litho’s, en illustraties voor de muziekboeken van zijn schoonbroer, Claude Terrasse.
In 1894 schilderde hij scènes over het leven in Parijs. Gebouwen en soms dieren stonden centraal, gezichten bleven vaag. Hij maakte een portret van Marthe, met wie hij zal trouwen in 1925, en een brandglasraam voor Tiffany. Marthe (die Maria heette) woonde met hem samen vanaf 1893 tot aan haar dood, en was model voor veel van zijn werken. Vóór hun huwelijk had hij ook nog een affaire met twee andere modellen, Renée en Lucienne. Kort nadat Pierre met Marthe trouwde pleegde Renée zelfmoord.
In 1895 had hij zijn eerste solotentoonstelling in de galerij Durand-Ruel. Hij illustreerde de roman Marie van Peter Nansen. In 96 nam hij deel aan een groepstentoonstelling van de nabi’s in Galerie Vollard in Amboise, in 99 nog een andere grote Nabi-tentoonstelling. In de vroege jaren 1900 verfijnde hij zijn stijl bij het zien van andere richtingen, met nieuwe onderwerpen en media. Hij presenteerde werken op de Salon des Independents in 1900 en 1901, en stelde weer tentoon met nabi’s in de galerij Bernheim Jeaune, waar hij in 06 een solotentoonstelling had. In 1908 had hij een lang verblijf in het huis van Manguin in Saint-Tropez. In 1909 en 1911 schilderde hij decoratieve panelen voor de Russische mecenas Morozov. Tijdens WOI schilderde hij naakten en portretten, naast een paar grote werken. In 18 werd hij erevoorzitter van de Vereniging voor jonge Franse kunstenaars, samen met Renoir. In 24 was er een retrospectieve met 68 van zijn werken in de Galerie Druet. In 25 kocht hij een villa in Cannes. In 38 werden de werken van Bonnard en Vuillard geëxposeerd in het Art institute of Chicago.
Door WOII moest Bonnard Parijs verlaten en bleef hij in Zuid-Frankrijk wonen. Onder Duitse bezetting weigerde hij het portret te schilderen van maarschalk Pétain omdat die collaboreerde met de Duitsers, hij schilderde wel een Duitse opdracht voor Saint-François-de-Sales, die hij het gezicht gaf van zijn twee jaar ervoor gestoren vriend Vuillard. Zijn laatste schilderij, ‘De bloeiende amandelboom”, was in 1947, een week voor zijn dood. Het Museum of Modern Art in New York had een retrospectieve gepland voor zijn 80ste verjaardag, die postuum plaatsvond.
Bonnard werkte tegelijkertijd aan talloze doeken, die hij aan de muren van zijn kleine atelier spijkerde. Zo kon hij de vorm van een schilderij vrijer bepalen. "Het zou me storen als mijn doeken op een frame gespannen waren. Ik weet nooit van tevoren welke afmetingen ik ga kiezen." Hoewel Bonnard publieke aandacht ontliep, verkocht zijn werk tijdens zijn leven goed. In de laatse periode werd hij overschaduwd door de latere stromingen in de schilderkunst. Bonnard was iemand die liever rustig leefde, zijn werk heeft een gelijkmatige ontwikkeling gedurende een zestigtal jaren. Hij evolueerde maar bleef zichzelf en stapte niet over naar andere stromingen. Hij schilderde vooral landschappen, stadsgezichten, portretten en intieme huiselijke scènes. |
| |

Pierre Bonnard, In summer, 1931, oil on canvas |
| |
| Henri Matisse (1869-1954) was een Franse schilder, tekenaar, graficus en beeldhouwer. Henri Émile Benoît Matisse werd geboren op de oudejaarsavond van 1869, in Cateau-Cambrésis, als oudste zoon van een rijke graanhandelaar. Hij groeide op in Bohain-en-Vermandois en ging in 1887 rechten studeren in Parijs. Met zijn diploma werkte hij als gerechtsadministrateur in Le Cateau-Cambrésis. Tijdens zijn herstel van een blindedarmontsteking bracht zijn moeder hem materiaal om te schilderen. Daar ontdekte hij het paradijs in en besloot kustenaar te worden, tot ergernis van zijn vader. In 1891 trok hij terug naar Parijs en studeerde er aan de Académie Julian onder William-Adolphe Bouguereau en aan de École Nationale des Beaux-Arts onder Gustave Moreau. Hij begon met stillevens en landschappen in traditionele stijl. Matisse bewonderde vooral Chardin, en hield ook van Poussin, Watteau, Manet en Japanse kunst. In 96 bezocht hij de Australische schilder Russell op het eiland Belle Île voor de Bretoense kust. Russell maakte hem warm voor de impressionisten en Van Gogh. Matisse ruilde zijn aardse kleuren in voor felle. Hij stelde vijf werken tentoon op de salon van de Société Nationale des Beaux-arts, twee schilderijen werden door de staat aangekocht. In 94 kreeg hij een dochter, Marguerite, met het model Caroline Joblau. In 98 trouwde hij Amélie Parayre, ze voedden zijn dochter samen op en kregen nog twee zonen. Marguerite en Amélie stonden vaak model voor Matisse. In 98 ging hij naar Londen om de schilderijen te zien van Turner. Terug in Parijs in 99 werkte hij met Marquet en ontmoette Derain, Jean Puy en Jules Flandrin. Hij raakte in de schulden door werk van anderen te willen verkopen, zoals Rodin, Gauguin en Van Gogh. Na het lezen van het essay “d’Eugène Delacroix au Néo-impressionisme” schilderde hij van 1898 tot 1901 in de pointillistische techniek.
In 1902 raakten Améli’s ouders verstrikt in een groot schandaal, de Humbert-affaire. Haar moeder en vader werden de zondebokken van het verhaal en belaagd door woedende fraudeslachtoffers. Matisse’s schoonvader werd gearresteerd en zelf hij werd de enige kostwinner voor een gezin van zeven.
Thérèse Humbert was een boerendochter, zij huwde Gustave Humbert, een beroemd jurist, leraar rechten en staatsman. Ze beweerde een miljonair, Crawford genaamd, op een trein te hebben geholpen na een hartaanval en dat hij haar daarom begunstigde had gemaakt in zijn testament. In 81 zou hij overleden zijn en haar een erfenis hebben nagelaten. Ze beweerde ook dat twee neven, Henry en Robert, het testament aanvochten. Zij beweerde dat de documenten en de obligaties aan toonder in haar kluis werden bewaard. Ze verkreeg op die manier een enorme lening met erfenis als onderpand. Ze kocht voor haar en haar man een luxehuis in Parijs. Omwille van de geloofwaardigheid van haar verhaal schakelde ze ook advocaten en procureurs in om de neven voor de rechter te dagen. Verschilldende uitspraken steunden haar, waaronder die van het Hof van Cassatie. Ze vergaarde veel invloed, roem en rijkdom. Haar salon werd het centrum van sociale contacten. 20 jaar leefden ze in luxe. In 83 verscheen een sceptisch artikel in Le Matin, maar haar schoonvader, toen minister van justitie, steunde haar. Ze beweerde dat zij door de Crawfords werd gedwongen haar deel van de erfenis af te staan aan de Crédit Lyonnais. Na een langdurige rechtzaak, waarin haar twee broers zich voordeden als de vermeende neven van Crawford, oordeelde de rechtbank dat de afgesloten kluis in haar bezit moest blijven. Uiteindelijk ontdekte een ambtenaar bij de bank dat de vermeende staatsobligaties niet bestonden. Zij had een royaal pensioenplan opgesteld dat ze Rente Viagère noemde, om meer geld te bekomen voor het aflossen van de schulden. Er werd ontdekt dat het veronderstelde bedrag van de erfenis onvoldoende was om leningen en juridische kosten te dekken. In 1901 daagden haar schuldeisers haar voor de rechter en de kluis moest geopend worden. Die bevatte enkel oude kranten, een broeksknoop en een Italiaanse munt. Duizenden schuldeisers en investeerders gingen tenonder. De vader en moeder van Amélie werden de zondebokken. Matisse fungeerde zelf als advocaat om hun naam te zuiveren. Thérèse Humbert kreeg vijf jaar dwangarbeid, haar twee broers elk twee en drie jaar gevangenis, haar man vijf jaar. De intussen overleden schoonvader die minister van Justitie was, werd bij de slachtoffers ingedeeld. Tussen 1902 en 1903 had Matisse een sobere schilderstijl, gebaseerd op de vorm, mogelijk om verkoopbare werken te produceren in die tijd van ontbering.
Fauvisme als beweging duurde van 1904 tot 1908, onder leiding van Matisse en Derain, en hield drie tentoonstellingen. De schilderstijl zelf bleef nog bestaan na 1910. De eerste solotentoonstelling van Matisse was in 04, zonder veel succes. In de zomer had hij geschilderd in Saint-Tropez met Signac en Cross. In 05 werkte hij met Derain in Collioure, nu met meer platte vormen en beheerste lijnen, minder pointillistisch. De eerste expositie van de fauvisten was op de derde Salon d’Automne, ze namen de rol over van Salon des Indépendants. In het Grand Palais waren 1636 werken tentoongesteld van internationale kunstenaars, naast de retrospectieves van Ingres en Manet. De meeste aandacht ging naar de werken met felle kleuren in toetsen of vlakken, bijeengehangen: Armand Dayot, Léonce Benedite, Camoin, Derain, Matisse, Albert Marquet, Maurice de Vlaminck, Van Dongen, Rouault, Friesz, Puy en Valtat. Daartussen stonden beeldhouwwerken in tradionele stijl van Albert Marque, die kunstcriticus Vauxcelles bestempelde als “Donatello tussen de wilde beesten”. In een artikel in “Gil Blas” schreef hij over de “Vrouw met hoed” van Matisse “...haar het lot schijnt toebedeeld van een christelijke maagd, prijsgegeven aan de wilde beesten van het circus”. Zo onleende de groep hun naam aan de kritieken. De Franse president Loubet weigerde de opening te doen, uit schrik conservatieve kiezers kwijt te spelen. De reacties waren unamiem afwijzend. In de Figaro: “men heeft het publiek een pot verf in het gezicht gesmeten”. In de Journal de Rouen: “de barbaarse en naïeve maaksels van een kind dat speelt met een doos kleurkrijtjes die het voor de kerst heeft gekregen”. Maar “Vrouw met een hoed” werd door Gertrude en Leo Stein gekocht, en dat verbeterde het moraal van de schilder.
In 1906 had de beweging al afgedaan, maar Matisse maakte veel van zijn mooiste werken tussen 1906 en 1917. In 1906 reisde hij naar Algerije omwille van zijn oriëntalistische interesse. In 1910 bezocht hij een grote tentoonstelling over het islamisme in München, en reisde daarop twee maand in Spanje omwille van de Moorse kunst. Hij bezocht Marokko in 1912 en 13 en schilderde in Tangiers.
Matisse had een lange verbintenis met de kunstverzamelaar Sjtsjoekin. Sinds hij in 06 Picasso had ontmoet, zijn Matisse en Picasso vrienden en rivalen geworden. Hun werk was voor het eerst samengebracht op de Salon van Gertrude Stein. Ook de Amerikaanse vrienden van de Stein’s, de Cone-zussen Claribel en Etta, werden beschermers, die honderden schilderijen kochten. Op zaterdagavonden kwamen Matisse, Picasso, de Stein’s en vrienden samen in de Rue de Fleurus. Tot de bezoekers hoorden ook Braque, Derain, Max Jacob, Apollinaire, Laurencin en Henri Rousseau. Vrienden organiseerden en financieerden de niet-commerciële Académie Matisse in Parijs, waar Matisse lesgaf van 1907 to 1911. In 1912 en 13 bracht hij zeven maand in Marocco door, waaruit zijn oriëntalistische onderwerpen ontstaan. Met Léonide Massine bereidde hij “Le chant du rossignol” voor, een opera van Stravinsky. Zij zorgde voor de choreografie, hij voor decors, kostuums en gordijnen.
In 1917 verhuisde hij naar Nice, zijn werk onderging de toen typische “terugkeer naar de orde” en meer traditionalisme, zoals ook bij Picasso, Stravinsky en Derain. Eind jaren 20 werkte hij samen met Fransen, Nederlanders, Duitsers, Spanjaarden en Amerikanen. Ne 1930 was er een nieuwe kracht in zijn werken. “The dance II” werd een voorbode van zijn kniptechniek.
Amélie beëindigde hun huwelijk in 39 omwille van zijn affaire met een jonge Russische emigrante. Ze probeerde zelfmoord te plegen door een kogel in de borst te schieten, maar overleefde kogel zonder gevolgen en keerde terug naar Matisse “om de rest van zijn leven met hem samen te werken, zijn huishouden te runnen, de rekeningen te betalen, zijn correspondentie te typen, nauwgezette administratie bij te houden, te assisteren in de studio en zijn zakelijke aangelegenheden te coördineren”.
Toen in 40 de nazi’s Parijs binnenvielen was Matisse daar, maar hij slaagde erin naar Nice te reizen. Zijn zoon, galerijhouder in New York, smeekte hem te vluchten. Hij wou naar Brazilië trekken, maar besloot dan toch in Frankrijk te blijven. "Het leek me alsof ik zou deserteren. Als iedereen die enige waarde heeft Frankrijk verlaat, wat blijft er dan over van Frankrijk?" Tegenover de Franse “ontaarde kunst” waren de Duitsers milder dan in eigen land. Hij mocht er exposeren, samen met andere fauvisten, enkel joodse schilders mochten niet, ze werden uit alle musea en galerijen verwijderd. Alle exposanten dienden een eed te ondertekenen waarin zij hun “Arische” status bevestigden. Als graficus maakte hij zwarwitillustraties en litho’s.
In 41 werd kanker vastgesteld aan de twaalfvingerige darm. De operatie bracht complicaties, hij overleefde nipt en was drie maaand bedlegerig. In bed ontstond zijn nieuwe kunstvorm met papier en schaar de “découpage”. Hij knipte figuren uit vellen papier die door assistenten met gouache waren beschilderd. Toen in bescheiden formaat, later zal hij er muurschilderingen en kamergrote werken mee maken. Deze techniek had hij in 1919 reeds gebruikt voor de opera van Stravinsky. Hij had een studente verpleegster die voor hem zorgde, ze hadden een platonische relatie. In 44 verliet ze hem om in het klooster te gaan, soms vroeg Matisse haar nog om te exposeren. Voor haar schilderde hij voor de kapel in Vence, de Chapelle du rosaire, waar hij in 43 naartoe verhuisde. Zijn zoon Pierre in New York zat in het verzet en hielp Joodse en anti-nazi-kunstenaars om naar Amerika te ontsnappen. Zijn tentoonstelling “Artiesten in ballingschap” werd legendarisch. Amélie zat zes maand gevangen omdat ze typiste was bij het verzet. Zijn dochter Marguerite was door de Gestapo gevangen en bijna doodgemarteld, en werd op de trein gezet naar concentratiekamp Ravensbrück. Ze wist uit de trein te ontsnappen en overleefde in de bossen tot verzetstrijders haar vonden. Zijn student Rudolf Levy werd in Auschwitz vermoord.
In Vence produceerde hij zijn eerste kunstenaarsboek onder de titel “Jazz”, toen bedoeld als ontwerpen voor stencils. Zijn groot knipwerk “The sea” werd tentoongesteld op de Salon de Mai in 54 en was een succes. De ontwerpen voor de kapelramen, kazuifels en tabernakeldeuren voor de Chapelle du rosaire waren gemaakt met dergelijke knipsels.In 52 stichtte hij het Matisse museum in Le Cateau, met zijn werken. Zijn laatste creatief werk was het ontwerp voor een brandglasraam voor de Union church of Pocantico Hills, ten noorden van New York. De maquette hing aan de muur van zijn slaapkamer toen hij stierf aan een hartaanval in 54. Het raam werd voltooid in 56. |
| |

Henri Matisse, The pink studio, 1911, oil on canvas |
| |
| František Kupka (1871-1957) was een Tsjechische schilder, aanvankelijk symbolistisch, later abstract. Hij werd geboren in Oost-Bohemen in Tsjechië, toen Oostenrijk-Hongarije. Van 1889 tot 1892 studeerde hij aan de Praagse Academie voor Schone Kunsten, hij schilderde vooral historische en patriottische thema’s. Daarna studeerde hij aan de Academie voor Schone Kunsten te Wenen, onder invloed van Karl Wilhelm Diefenbach (1851-1913) werd hij symbolistisch. Hij exposeerde bij de Kunstverein van Wenen in 1894, en was betrokken bij theosofie en Oosterse filosofie. In 1894 vestigde hij zich in Parijs en bezocht er kort de Académie Julian, vervolgens de École des Beaux-Arts bij jean-Pierre Laurens. Kupka werkte als illstrator van boeken en posters en werd bekend om zijn satirische tekeningen in kranten en tijdschriften. In 1906 vestigde hij zich in een voorstad in parijs en exposeerde op de Salon d’Automne. Hij was diep onder de indruk van het futuristisch manifest, geplubliceerd in 1909 in Le Figaro. Zijn werk “Pianoklavier/Meer” was de overgang naar zijn abstracte stijl. Die absractie nam toe in 1910-11 en weerspiegelde zijn theorieën over beweging, kleur en de relatie tussen muziek en schilderkunst (orfisme). Hij nam deel aan bijeenkomsten van de Puteaux-groep en exposeerde in 1912 bij de kubisten op de Salon des Indépendants, hoewel hj zich mt geen enkele stroming wou verbinden.
Hij diende als vrijwilliger in WO I, hij was minstens 25 jaar ouder dan andere soldaten. De vrouw van Kupka marcheerde een hele tijd mee, tot zij werd gearresteerd en teruggestuurd naar Parijs. Kupka verliet het front door bevriezing van zijn voet, ten gevolge van het water in de loopgraven. Vanaf 1919 werd hj financieel ondersteund door zijn vriend, industrieel en kunstverzamelaar Jindřich Waldes
In 1931 richtte hji Abstraction-Création mee op, stelde hij tentoon in het Museum of Modern Art in New York, en samen met Mucha inhet Jeu de paume in Parijs. In 46 was er een retrospectieve in Praag, hij bleef tot aan zijn dood in 57 exposeren in de Salon des Réalités Nouvelles. |
| |

František Kupka, Creation, 1911-12, oil on canvas |
| |
| Nicholas Roerich (1874-1947) was een Russische symbolistische schilder, schrijver, archeololoog, theosoof, filosoof. Hij was geboren als Nikolai Konstantinovich Rerich in Sint-Petersburg, als zoon van een welgestelde Baltische vader en een Russische moeder. Hij volgde opleiding voor rechten en voor schilderkunst en had grote interesse voor literatuur, filosofie en archeologie. In 1893 schreef hij zich gelijktijdig in aan de universiteit van Sint-Petersburg en aan de Keizerlijke Academie, onder Arkhip Kuindzhi (1842-1910). In 1897 onving hij de titel van kunstenaar en in 98 een graad in rechten. Zijn ouders gaven toe aan zijn grotere interesse voor kunst dan voor rechten. In 1900 ging hij les volgen in Parijs, onder Cormon (die ook Van Gogh en Toulouse-Latrec had opgeleid). In 1906 verbleef hij in Florence. Hij vond al vroeg werk bij de Keizerlijke Vereniging voor de Aanmoediging van de Kunsten, en leidde de school tot 1917. Ondanks spanningen met de groep werd hij lid van “Wereld van de Kunst” van Diaghilev, hij was de voorzitter van 1910 tot 1916. Hij maakte ook decorontwerpen voor diens “Ballets Russe”. De bekendste zijn die van “Prins Igor” (Borodin) en “Sacre du printemps” (Stravinsky). Samen met Vrubel en Nesterov wordt hij aanzien als de belangrijkste vertegenwoordiger van het Russische symbolisme. Zijn publicatie “Architectural Studies” (1904-1905) met tientallen schilderijen van forten, kloosters, kerken en monumenten, gemaakt op twee lange reizen door Rusland, was het begin van zijn lange carrière als activist voor artistiek en architectonisch behoud. Hij schilderde ook fresco’s en maakte brandglasramen. Zijn ontwerpen voor de Talashkino-kerk waren zo radicaal anders dat de orthodoxe kerk weigerde het gebouw in te wijden. Begin twintigste eeuw kregen Nicolai en zijn vrouw Helena grote interesse voor theosofie en Oosterse religies, zijn interesse voor het occulte nam vooral toe tijdens WO I en tijdens de Russische relolutie. Theosofie, vedanta en boeddhisme zijn terg te vinden in zijn schilderijen alsook in zijn verhalen en gedichten van de Morya-cyclus (1907-1921). Na het einde van het tsarisme in 1917 in de februari-revolutie was hij een gematigde politieke figuur die het opnam vor het Russische cultureel ergoed, samen met Gorki en Benois zat hij de Goki-commissie, en de opvolger, de Kunstbond of SDI. Ze probeerden de aandacht van de regeringen te vestigen op een coherent cultuurbeleid en bescherming tegen vernieling en vandalisme. Nog vóór de oktober-revolutie waarin Lehnin de macht greep was hij reeds afgetreden van zijn voorzitterschap van “Wereld van de Kunstvereniging” en als directeur van de “School van de Keizerlijke Vereniging ter Bevordering van de Kunsten” als gevolg van ziekte en had hij zich in Karelië gevestigd aan de Finse grens. Onder Lehnin en zijn bolsjewististisch regime raakte hij steeds meer ontmoedigd en begin 1918 emigreerde hij met Helena en zijn twee zonen naar Finland. Er is een ruime documentatie van zijn vijandigheid tegenover de bolsjewieken, niet voor het communisme op zich, maar voor Lehnin’s meedogenloosheid en de angst dat her regime zou leiden tot de vernietiging van artistiek erfgoed, onder andere in zijn pamflet “Violators of art” (1918-19). Na enige maanden in Finland en Scandinavië verhuisden ze naar Londen, midden 1919. Ze sloten zich aan bij de Welsche theosofen en richtten in 1920 hun eigen schoolvoor mystiek,op, “Agni Yoga”. Hij maakte er ook ontwerpen voor de Russische theaterkunstenaars “LAHDA”. Hij raakte bevriend met de boedhist Humphreys, de schrijver Wells en de dichter Tagore (een achternicht zou et zijn zoon trouwen). Op uitnodiging van de “Art institute of Chicago” reisden de Roerichs naar de VS (1920-23). Na een grote tentoonstelling toerden ze door het land. In 22 kreeg hij opdracht voor het decor van “Sneeuwmaagd” (Rimsky-Korsakow). Hij zag zichzelf voorbestemd voor een grote missie van een religieuze beweging die met de hulp van toekomstige reïncarnatie van de Boeddha, Maitreya, diverse Aziatische volkeren zou verenignen tot een “Tweede Unie van het Oosten”, dat het zuidwesten van de Altaj, Tuva, Boerjatië, Buiten- en Binnen-Mongolië, Xinjiang en Tibet zou omvatten.
In 1923 trok Roerich met zijn vrouw en zijn zoon Yuri naar de Himalaya en vestigde zich aanvankelijk in Darjeeling, in het huis waar de 13e Dalai Lama had verbleven tijdens zijn ballingschap in India (voor de Britten). Roerich bracht zijn tijd door met het schilderen van de Himalaya, en van bezoekers en invloedrijke Tibetanen. In 1924 keerde hij terug naar Amerika, vestigde zich in New York city. Ze richtten er verschillende instellingen op, “Cor Ardens” (vlammend hart), “Corona Mundi” (kroon van de wereld), om wereldwijd kunstenaars te verenigen, het “Master Institute of United Arts”, een kunstacademie, en de Agni Yoga Society, de thuisbasis voor het eerste Roerich-museum.
Roerich vertrok met zijn zoon George, die 28 Aziatische talen sprak, en zes vrienden, voor een vijf jaar durende expeditie naar Sikkim, Punjab, Kasjmir, Ladakh, het Karakoram-gebergte, Khotan, Kasjgar, Kara Shar, Ürümchi, Irtysh, het Altajgebergte, de Oyrot-regio van Mongolië, de Centrale Gobi, Kansu, Tsaidam en Tibet, met een omweg door Siberië naar Moskou in 1926. De bolsjewieken steunden hem logistiek, maar wilden niemand meesturen. Ze waren het niet eens met zijn project, de “Heilige Unie van het Oosten”, een soort spiritueel coöperatief van boeddhistische volkeren in Binnen-Azië onder het patronaat van bolsjewistisch Rusland. Roerich zag zich eveneens als een soort ambassadeur van het westerse boeddhisme. Voor de media was het voorgeschoteld als een artistieke en wetenschappelijke onderneming. In Tibet werden ze aangevallen, waardoor er geen contact was in de zomer van 1927 en in juni 28. Ze werden met geweld gestopt door de Tibetaanse authoriteiten en vijf maand gevangen gezet in tenten in de vrieskou met karige rantsoenen, waardoor vijf leden stierven. In 28 mochten ze Tibet verlaten en vestigden zich in India, waar ze een onderzoekscentrum stichtten, het Himalayan Research Institute.
In 1929 werd hij genomineerd voor de Nobelprijs voor de vrede, alsook nog twee nominaties in 1932 en 35. Zijn zorg voor vreden resulteerde in het “Pax Cultura”, een soort Rode Kruis voor kunst een cultuur. In april 1935 werd in het Witte Huis het “Roerich Pact” ondertekend, een internationale bescherming van cultureel erfgoed. Hun eerste internationale conferentie was in Brugge in 1931.
In 1934-35 sponserde het Amerikaanse ministerie voor landbouw een expeditie van Roerich, met zijn vrouw en wetenschappers, voor het onderzoek naar planten tegen bodemerosie, naar Mantsjoerije en het Chinese vasteland. In 1934 verkenden ze het Grote Khingan-gebergte en het Bargan-plateau. In 35 delen van Binnen-Mongolië. Ondanks Roerich’s vredesactivisme had Amerika wapens en steun geleverd voor opstand in Mongolië. Tijdens WO II vertoefde hij in India, hij schilderde erRussische epische helden- en heiligenthema’s. In 42 ontving hij Nehru en zijn dochter Indira Gandhi om te praten over Indisch-Russische culturele samenwerking.
In 1942 werd in New York de Amerikaans-Russische Culturele Associatie (ARCA) opgericht, met Hemingway, Rockwell Kent, Charlie Chaplin, Emil Cooper, Koussevitzky en Tereshchenko. Hij correspondeerde uitgebreid met Henry Wallace, kandidaat van de “Progressive Party” voor het presidentschap van de VS in 48. Roerich stierf in 1947 in Kullu en werd gecremeerd. Er is een Roerich-museum in New York en in Moskou. Er zijn ook tal van verenigingen die zijn theosofische leringen wereldwijd blijven promoten. |
| |

Nicholas Roerich, The night of the morning (Equus aeternus serie), 1918, oil on panel |
| |
|
Mikalojus Konstantinas Čiurlionis (1875-1911) (spreek uit sájeljón) was een Litouwse componist, symbolistische schilder, koorleider, cultureel figuur en schrijver in het Pools. In zijn korte leven creëerde hij ongeveer 400 muziekstukken en ongeveer 300 schilderijen, evenals vele literaire werken en gedichten. Hij werd geboren in Senoji Varėna, een stad in het zuidoosten van Litouwen, destijds deel van het Russische Rijk. Zijn moeder Adelė stamde uit een lutherse familie van Beierse afkomst, zijn vader Konstantinas was organist en koordirigent. Er waren in totaal negen broers en zussen. De familie van Čiurlionis sprak Pools, Mikalojus kon ook Litouws verstaan en lezen, maar hij beheerste het niet goed. In 1878 verhuisde zijn familie naar Druskininkai waar zijn vader stadsorganist werd. Dit is waar Mikalojus Konstantinas publiekelijk zijn muzikale vaardigheden begon te tonen. Hij kon op vijfjarige leeftijd op het gehoor spelen en op zevenjarige leeftijd partituren lezen. Hij verving vaak zijn vader door tijdens de mis het orgel te bespelen, en thuis piano. Een vriend van de familie, dokter Jozef Markiewicz, merkte zijn natuurlijke talent op en na Mikalojus' afstuderen aan de volksschool van Druskininkai schreef hij een brief aan de Litouwse edelman Michał Mikołaj Ogiński met de aanbeveling om MK Čiurlionis in te schrijven voor de Paleisorkestschool in Plungė. Čiurlionis studeerde er van 1889 tot 1893. Hij speelde fluit en leerde de basisbeginselen van de muziektheorie. Hij reisde vaak met het orkest om concerten te geven. Hij had een nauwe band met M. Ogiński, die hem een beurs verleende waarmee de componist in Warschau kon studeren.
Met de steun van de beurs van Prins Ogiński studeerde Čiurlionis van 1894 tot 1899 piano en compositie aan het Muziekinstituut van Warschau. Hij studeerde piano onder leiding van Antoni Sygietyński en compositie onder leiding van de componist Zygmunt Noskowski. Hier ontmoette hij de toekomstige Poolse componist en directeur van het Conservatorium van Warschau, Eugeniusz Morawski-Dąbrowa. Samen bespraken ze muziek en schilderijen, bekritiseerden ze elkaars composities en gingen op vakantie bij Morawski's ouders in Zakroczym. Daar ontmoette hij de zus van zijn vriend, Maria Morawska. Haar vader, die de liefde van zijn jonge dochter voor de kunstenaar opmerkte, greep in en trouwde Maria uit met een weduwnaar. Čiurlionis begroef zich in zijn werk: hij schreef preludes, fuga's, canons en variatiecycli voor piano. Voor zijn afstuderen in 1899 schreef hij een cantate voor gemengd koor en symfonieorkest, en behaalde het diploma compositie. Hij sloeg het aanbod af om orkestleider te worden van het Lublin Music Society Choir en bleef componeren, n 1900 voltooide hij zijn eerste symfonisch gedicht "In het bos". Na de goedkeuring en verdere beurs van M. Ogiński te hebben ontvangen, schreef Čiurlionis zich in aan het conservatorium van Leipzig van 1901 tot 1902. Daar kreeg hij les in compositie en muziektheorie, evenals orgel en piano. Hoewel hij de Duitse taal niet machtig was, schreef hij zich in voor lessen esthetiek, geschiedenis en psychologie. Uit brieven blijkt dat hij zich erg eenzaam voelde in Leipzig en terug wilde keren naar Druskininkai.
In Leipzig creëerde hij de symfonische ouverture "Kęstutis". Omdat hij niet naar huis kon terugkeren, begon hij in zijn vrije tijd te tekenen. De plotselinge dood van M. Ogiński en de verstoorde financiële steun maakten het moeilijker om zijn studie aan het conservatorium af te ronden, maar hij slaagde erin de lerarenlicentie van het conservatorium van Leipzig te behalen. Čiurlionis keerde in 1902 terug naar Warschau en ging er naar de Tekenschool, waar hij tekenles kreeg van Jan Kauzik. Hij moest als privéleraar muziek werken om zichzelf en zijn broers, die ook in Warschau studeerden, te onderhouden. Vanwege zijn sterke besluit om te gaan schilderen, weigerde hij les te geven aan het Muziekinstituut van Warschau. In 1903 schilderde hij de cyclus van zeven schilderijen "Begrafenissymfonie" en begon aan zijn tweede symfonisch gedicht "De Zee". Hij zette zijn schilderstudies voort aan de School voor Schone Kunsten in Warschau van 1904 tot 1906. Zijn belangrijkste leraar in Warschau was de symbolistische schilder Kazimierz Stabrowski, die ook de oprichter was van de eerste loges van de Theosofische Vereniging in Polen en aan Čiurlionis een interesse in theosofie en andere esoterische onderwerpen doorgaf. Op de school kreeg hij les in tekenen van Karol Tichy en Konrad Krzyżanowski, beeldhouwen van Xawery Dunikowski, schilderen van Ferdynand Ruszczyc en ging hij naar de georganiseerde plein-air sessies. In 1904 toonde hij 19 van zijn werken (glas-in-loodprojecten, cyclus van 6 schilderijen "De Storm", boekomslagen) in de privétentoonstelling van de school. In 1905 hield Čiurlionis een tentoonstelling waar hij de cyclus van 10 schilderijen "Fantasieën" liet zien. In hetzelfde jaar nam hij ook deel aan de eerste jaarlijkse tentoonstelling van de Kunstacademie van Warschau.
Terwijl hij als privé-muziekleraar werkte, maakte hij kennis met de familie van Wolmans, die al snel zijn vrienden werden. Hij had een bijzonder warme band met Bronisława Wolman, die Čiurlionis' schilderijen sponsorde. Als dank schonk Čiurlionis haar talloze schilderijen, waaronder "Vriendschap" (1906/1907). In 1905 nodigde Wolman Čiurlionis met een paar van zijn vrienden uit naar de badplaats Anapa, nabij de Zwarte Zee. Hier reisde Čiurlionis door de Kaukasus, schilderde en fotografeerde. Wolman gaf hem geld voor zijn reis door Europa, hij bezocht Praag, Dresden, Neurenberg, München en Wenen. In 1906 toonde hij zijn werken op de tentoonstelling van de School voor Schone Kunsten van Warschau in Sint-Petersburg (de cycli "De Schepping van de Wereld", "De Dag", "De Storm" en andere creaties). Er verschenen artikels in de pers over hem. Toen hij in 1907 de uitnodiging ontving om deel te nemen aan de eerste tentoonstelling van Litouwse kunst in het Vileišis Paleis in Vilnius, stuurde hij zijn schilderijen (33 schilderijen afgebeeld) en hielp hij ook bij de organisatie ervan. Kort na deze gebeurtenis werd de Litouwse Kunstvereniging opgericht, en Čiurlionis was een van de 19 oprichters.
In 1907 verhuisde hij naar Vilnius, waar hij woonde en zich actief bezighield met cultuur. Hij werd verkozen tot bestuurslid van de Litouwse Kunstvereniging en was koorleider van het koor "Vilniaus kanklės". Tijdens zijn bezoek aan de generale repetitie van "Blinda" van Gabrielius Landsbergis-Žemkalnis ontmoette hij de schrijfster Sofija Kymantaitė (1886–1958). Samen met haar en de Litouwse Kunstvereniging bereidden ze de Tweede Tentoonstelling van Litouwse Kunst voor en bespraken ze de oprichting van het "Volkspaleis" (kunstmuseum ). Samen met Sofija, zijn verloofde, gingen ze in 1908 naar Palanga, en in 1909 trouwden ze.
In een poging bekender te worden, volgde Čiurlionis het advies van zijn vrienden op en vertrok in 1908 naar Sint-Petersburg. Hier ontmoette hij Mstislav Dobuzhinsky, die de Litouwse kunstenaar introduceerde bij de Russische Kunstenaarsvereniging. Om genoeg geld te hebben, moest hij opnieuw privé-muziekleraar worden. Tijdens zijn verblijf in Sint-Petersburg vergat Čiurlionis Litouwen niet: hij stelde voor om een muziekafdeling op te richten bij de Litouwse Kunstvereniging, stuurde geharmoniseerde volksliederen naar het koor "Vilniaus kanklės" en schreef samen met Sofija muziek voor hun opera "Jūratė". In Sint-Petersburg werden de schilderijen van Čiurlionis tentoongesteld op de Salontentoonstelling, op de zesde tentoonstelling van de Russische Kunstenaarsvereniging. Enkele van zijn schilderijen stuurde hij ook naar de eerste voorjaarstentoonstelling van de Kunstenaarsvereniging in Vilnius en naar de dertiende tentoonstelling van de Vereniging voor Kunstliefhebbers, de "Sztuka" in Krakau . In maart 1909 keerden Sofija en MK Čiurlionis terug naar Litouwen, en aan het einde van het jaar vertrok MK Čiurlionis opnieuw naar Sint-Petersburg.
Constant werk zonder pauzes en materiële ontberingen, vermoeiden Čiurlionis. Sofija merkte dat hij zich vreemd gedroeg op kerstavond en bracht hem naar de neuropatholoog en psychiater V. Bechterev, die bij hem een burn-out diagnosticeerde. In 1910 keerden beiden terug naar Druskininkai, later werd Čiurlionis opgenomen in een kuuroord in Polen. Terwijl hij herstelde, werd zijn enige dochter - Danutė - geboren. In 1911 ging hij wandelen en liep longontsteking op en stierf op 10 april 1911 op 35-jarige leeftijd. Hij werd begraven op de Rasos-begraafplaats in Vilnius. Hij heeft zijn dochter Danutė nooit meer gezien.
Čiurlionis is de grondlegger van de Litouwse professionele muziek. Het precieze aantal composities van Čiurlionis is onbekend – een aanzienlijk deel van zijn manuscripten is niet bewaard gebleven, waaronder de manuscripten die tijdens de oorlog in brand zijn gestoken. De manuscripten die we vandaag de dag nog hebben, omvatten schetsen, ruwe versies en fragmenten van zijn muzikale ideeën. De aard van het archief was bepalend voor het feit dat zijn werken pas honderd jaar na de dood van de componist werden gepubliceerd. Tegenwoordig omvat het archief bijna 400 composities. |
| |

Mikalojus Čiurlionis, Angels (paradise), 1909, tempera on cardboard |
| |
| Maurice de Vlaminck (1876-1958) werd in Parijs geboren bij een Vlaamse vader die vioolles gaf en een moeder uit Lotheringen die pianoles gaf. In 1893 studeerde hij bij Henri Rigalon. Niettemin was hij altijd trots een autodidactische schilder te zijn. In 94 trouwde hij Suzanne Berly. Op het einde van zijn diensttijd in het leger ontmoette hij Derain op een trein, ze bleven levenslang bevriend. Hij gaf zijn sportcarrière op in wielrennen, hij huurde samen met Derain een atelier voor een jaar, tot Derain zijn diensttijd moest doen. Maurice schilderde overdag, gaf vioolles, trad op in muziekkorpsen en schreef populaire romans. Pas in 1906 kon hij zich volledig wijden aan de schilderkunst, nadat Abroise Vollard zijn volledige stock had opgekocht. In 1911 schilderde hij aan de Theems, in 1913 opnieuw met Derain, in Marseille. Tijdens WO I was hij gestationeerd in Parijs en schreef poëzie. Hij trouwde zijn tweede vrouw, Berthe Combes, ze vestigden zich in een dorp buiten Parijs. Vanaf 1925 reisde hij door Frankrijk en schilderde langs de Seine. Hij was verbitterd dat het kubisme het fauvisme had verdrongen en gaf Picasso de schuld dat de Franse schilderkunst in een doodlopende straat was verzeild. Tijdens WO II bezocht hij Duitsland en in 1942 publiceerde hij een tirade tegen Picasso en het kubisme in het tijdschrift Comoedia. Hij schreef vele autobiografieën. Hij stierf in 1958. |
| |

Maurice de Vlaminck, Le Seine à Chatou,1906, oil on canvas |
| |
| Gabriele Münter (1877-1962) begon als kind te tekenen, haar artistieke neiging werden door haar ouders van welgestelde middenklasse ondersteund met een privé-leraar. In 1887, een jaar na het overlijden van haar vader, volgde zij les bij Ernst Bosch in Düsseldorf. Daarna kon zij als vrouw niet terecht in de officiële academies van München of Düseldorf, en volgde daardoor les aan de Damenschule bij Willy Spatz. Na de dood van haar moeder bleef zij werkloos achter, samen met haar zus besloot ze in 1898 een reis te maken, ze hadden een behoorlijke erfenis. Zij verbleven er twee jaar en toerden voornamelijk door Texas, Arkansas en Missouri. Ze studeerde houtsnedetechniek, beeldhouwkunst, schilderkunst en prentkunst. In 1901 volgde zij de Damenacademie in München, daarna de Phalanx-school in München, een avantgarde-instelling van Wassily Kandinsky, waar ze vertrouwd werd met post-impressionistische technieken, ze volgde ook grafiek, evenals beeldhouwkunst bij Wilhelm Hüsgen. Haar werk werd beïnvloed door Gauguin en het fauvisme, alsook door de Beierse volkskunst van het achterglasschilderen, en de kunst van kinderen, alsook prenten en speelgoed voor kinderen. Kort na de aanvang van haar lessen bij Kandinsky begon ze een relatie met hem die meer dan tien jaar zou duren. In 1902 had hij haar uitgenodigd mee te gaan naar zijn zomerlessen in de Alpen. Van 1903 tot 1908 reisden zij samen, in 1906-07 in Sèvres, Parijs, ze exposeerden samen op de Salon des Indépendants en de Salon d’Automne. Haar landschappen waren een vorm van art nouveau, spontaan, eenvoudig maar precies, vervormd. In 1908 veranderde haar werk, onder invloed van het fauvisme, Gauguin en Van Gogh. Ze vestigde zich in het Beierse stadje Murnau, waar de tijd leek stil te staan, ze kocht er een huis in 1909 en had nauwe banden met Alexej von Jawlensky en Marianne von Werefkin. Ze maakte natuurlijke landschappen en verzette zich tegen het modernisme. Kleuren volgde niet de natuur, zij dienden gevoel op te roepen: blauw, groen, geel, roze. Kandinsky begon Münter’s verzadigde kleuren en abstract-expressionistische stijl over te nemen. Ze reisden samen door Nederland, Italië, Frankrijk en Noord-Afrika. Ze hielpen de Neue Künstlervereinigung mee oprichten. Ze ontmoetten Rousseau en Matisse. Tot WO I namen ze beiden deel aan avantgardetetoonstellingen. Münter richtte de Duitse expressionistische groep mee op die later Der blaue Reiter werd genoemd, geleid door Kandinsky en Franz Marc. Er waren zes van haar werken op hun eerste tentoonstelling, 14 op hun tweede. Ondanks hun onderlinge verschillen hadden de schilders een gemeenschappelijke artistiek, verbinding tussen beeldende kunst en muziek, het spontane, het symbolische kleurgebruik, primitivisme, naar abstractie toe. In 1911 verliet zij de Neue Künstlervereinigung München uit solidariteit met Kandinsky en Franz Marc.
In 1914 verhuisde Gabrielle naar Zwitserland, Kandinsky keerde echter naar Rusland terug, hun relatie verslechterde. In 1817 huwde Kandinsky met een Russiche vrouw. Münter legde het schilderen neer door de ontgoocheling en nam het schilderen pas terug op eind jaren 20, toen zij samen met Johannes Eichner naar Duitsland was teruggekeerd. In de jaren 30 werd de modernistische beweging veroordeeld door het naziregime. Gabrielle liet alle werken van Kandinsky, zijzelf en andere leden van Der blaue Reiter naar haar huis vervoeren waar ze ze verborg tijdens WO II. Ondanks tal van huiszoekingen hebben ze die nooit gevonden. Op haar tachtigste schonk ze haar collectie, met meer dan 80 schilderijen en 330 tekeningen, aan de Städtische Galerie in München. In 56 ontving ze enkele prijzen en in 61 stelde ze voor het eerst tentoon in de VS. De stichting Gabrielle Münter en Johannes Eichner werd opgericht. Ze woonde de rest van haar leven in Murnau en reisde op en af naar München. Ze overleed in Murnau in 1962. |
| |

Gabriele Münter, Gehöft in Murnau (Holzhauer), 1909, öl auf Malpappe |
| |
| Witold Wojtkiewicz (1879-1909) was een symbolistisch-expressionistische Poolse schilder, illustrator en graficus. Zijn werk wordt ook gezien als een vorm van surealisme. Hij was de zoon van een hoofdkassier bij de Bank Handlowy, afkerig van het artistieke, en een moeder die de elf kinderen opvoedde. Na de tekenschool van Warschau leerde hij in 1903 en 1904 aan de Academie van Schone Kunsten van Krakau, bij Leon Wyczółkowski. Hij probeerde zich ook in te schrijven in 1902 aan de Academie van Sint_Petersburg, maar, zoals hij zelf schreef, ontsnapte na acht dagen. In 1905 sloot hij zich aan bij de Groep van Vijf” (de Norwid Groep), samen met Gottlieb, Hofman, Jakimowicz en Rembowski. Hij werkte voor het Krakau-tijdschrift “Liberum Veto” als illustrator in 1903-04 en was vanaf 1908 lid van “Sztuka”. Hij exposeerde zijn werken in Krakau, Warschau, Lviv en Wenen. Hij maakte aquarellen en tekeningen voor het Krakau-cabaret “Zielony Balonik”. Hij was bevriend met onder andere Boy-Żeleński en de schrijver Roman Jaworski voor wie hij illustraties maakte. Hij publiceerde ook lithografieën, samen met Karol Frycz en Kazimierz Sichulski, met portretten van acteurs van de Stadsschouwburg van Krakau, “Melpomenes portfolio” en werkte mee aan de setting van “Zielony Balonik” (Groene Ballon). Hij werkte ook als schrijver en schreef satirirische teksten voor het tijdschrijft “Kolce” met als pseudoniem Witwoj. Zijn werk op een tentoonstelling in Berlijn trok de aandacht van Maurice Denis en André Gide en Gide organiseerde een solotentoonstelling voor hem in 1907 in de Galerie Druet in Parijs. Tijdens zijn laat werk had hij veel last van zijn aangeboren hartafwijking waaraan hij stierf op zijn 29ste. Hij had ook een dagboek bijgehouden maar zijn moeder heeft het met hem mee begraven in zijn doodskist. |
| |

Witold Wojtkiewicz, Abduction of a princess (Porwanie królewny), 1908, tempera op doek |
| |
| André Derain (1880-1954) was een Franse schilder, beeldhouwer, schrijver, decorontwerper en illustrator. Met Matisse richtte hij het fauvisme op, naar “Les fauves”, de wilde beesten, een term van de kunstcriticus Vauxcelles. In tegenstelling tot de impressionisten wilden zij niet realistisch of uitbeeldend zijn, hun kleuren zijn feller en niet natuurgetrouw. De beweging duurde van 1904 tot 1908 en had drie tentoonstellingen. Naast hen beiden waren er ook andere schilders, zoals Robert Deborne, Albert Marquet, Charles Camoin, Bela Czobel, Louis Valtat, Jean Puy, Maurice de Vlaminck, Henri Manguin, Raoul Dufy, Othon Friesz, Adolphe Wansart, Georges Rouault, Jean Metzinger, Kees van Dongen, Émilie Charmy en Georges Braque. Daarna was hij ook een van de eerste kubisten, samen met Picasso en Bracque. Hij is nooit overgegaan naar het strenge kubisme van de latere Picasso, Braque en Gris.
Derain werd geboren in 1880 in Chatou, net buiten Parijs. Zijn eerste schilderlessen waren bij La Noé in zijn tienerjaren. In 1898 studeerde hij voor ingenieur en volgde daarbij ook schilderlessen bij Eugène Carrière, waar hij Matisse leerde kennen. In 1900 deelde hij een atelier met hem. Van 1901 tot 1904 moest hij militaire dienst doen. Matisse overtuigde de ouders van Derain om zijn carrière als ingenieur op te geven en zich volledig aan het schilderen te wijten. Hij ging lesvolgen aan de Académie Julian. In 1905 schilderde hij met Matisse in Collioure en ze stelden hun werk tentoon op de Salon d'Automne.
In 1906 stuurde kunsthandelaar Vollard hem naar Londen voor een serie schilderijen van de stad. Hij bezocht er het “Negro museum” en kwam in de ban van Afrikaanse maskers. Hij was een van de eersten die tribale Afrikaanse kunst begon te verzamelen en was wellicht de aanstoot voor dergelijke interese bij Braque en Picasso.
In 1907 kocht kunsthandelaar Kahnweiler Derain’s volledige atelier, wat hem financiële zekerheid gaf. Hij experimenteerde met steensculpturen en ging in Montmartre wonen om dichter bij Picasso en andere vrienden te wonen. Daar schakelde hij van zijn felle kleuren over op meer gedempte, onder invloed van de werken van Cézanne en het kubisme, en maakte ook houtsneden. Hij stelde werken tentoon bij de Neue Künstlervereinigung in München in 1910, in 1912 bij de secessionistische Der Blaue Reiter en in 1913 bij de Armory Show in New York. In de periode 1911-14 werden zijn kleuren beperkter en vormen soberder.
In 1914 werd hij gemobiliseerd voor de oorlog, tot hij in 1919 werd vrijgesteld. Na de oorlog werd hj bekend als de leider van het neoclassicisme met Griekse figuren, zijn spontaniteit en impulsiviteit verdwenen. Hij ontwierp voor het ballet van Diaghilev en begon een uitvoerige carrière als decorontwerper voor baletten. Hij kreeg de carnegie-prijs voor zijn werk en begon te exposeren in Londen, Berlijn, Frankfurt, Düsseldorf , New York City en Cincinnati. Tijdens de 2de wereldoorlog woonde hij in Parijs en werd door de Nazi-Duitsers erg gewaardeerd. Hij maakte deel uit van de groep schilders die de tentoonstelling van de beeldhouwer Arno Bréker bezochten in Berlijn. Na de bevrijding werd hij daardoor als collaborateur gekenmerkt. Hij hield zich dan vooral met beeldhouwen bezig. In 53 kreeg hij een ooginfectie waar hij nooit helemaal van herstelde. Hij stierf in 1954 in Garches ten gevolge van een aanrijding. |
| |

André Derain, Le séchage des voiles, 1905 |
| |
| Pablo Ruiz Picasso (1881-1973) was schilder, beeldhouwer, graficus, keramist en theaterontwerper. Hij werd geboren in Malaga. Zijn vader Ruiz was een naturalistische schilder, gespecialiseerd in vogels en wild, professor kunst aan de School voor Ambachten en conservator van een lokaal museum. Picasso was de naam van zijn moeder, afkomstig uit Ligurië in Italië. Picasso werd vanaf zijn zevende opgeleid door zijn vader met modeltekenen en olieverfschilderen. Hij liet zijn zoon al vroeg oude meesters kopiëren, en tekenen naar gipsafgietsels en levende modellen. In 91 verhuisden ze naar A Coruna toen zijn vader daar professor werd aan de School voor Schone Kunsten. In 95 stierf een zevenjarig zusje aan difterie en ze verhuisden naar Barcelona, waar Ruiz als professor werkte. Op zijn dertiende liet de academie toe dat Picasso er les zou volgen, onder aandrang van zijn vader. Hij kreeg een eigen kleine kamer om alleen te werken, maar werd meerdere keren per dag gecontroleerd. Op zijn 16de besloten Ruiz en een oom om Picasso naar de belangrijkste kunstacademie te sturen, de Real Academia de Belles Artes de San Fernando in Madrid, maar het onderwijs zinde hem er niet en hij stopte.
In 1897 begon hij de schilderen onder symbolistische invloed, bijvoorbeeld landschappen in groen en violet. Naast zijn bewondering voor El Greco leerde hij het werk kennen van Rossetti, Steinlen, Toulouse-Lautrec en Munch. In 1900 kwam hij voor het eerst in Parijs en werd er bevriend met de dichter Max Jacob, ze deelden een appartement. Max sliep er ‘s nachts, Picasso overdag. Ze leefden in armoede, kou en wanhoop. Veel van zijn werk werd verbrand om de kamer op te warmen. In 1901 ging hij in Parijs wonen, met een anarchistische vriend richtte hij het tijdschrift “Arte Joven” op (jonge kunst), Picasso maakte de cartoons over armoede. De periode van 1901 tot 1904 wordt zijn blauwe periode genoemd, hoofdzakelijk in blauw tot turquoise, met sombere taferelen, in dezelfde stijl als van het werk “Spaanse muzikanten” van Émile Bernard uit 1897.
De zogenaamde roze periode (1904-1906) is een lichtere stijl, meer omlijning, vaak met zwier, lichtere onderwerpen zoals circuspersonages (saltimbanques), met warme bruinen, roze of oranje. In 1904 werd Fernande Olivier zijn minnares. In 1905 werd Picasso de favoriet van de kunstverzamelaars Leo en Gertrude Stein. Gertrude stelde hem tentoon op haar Salon, waar hij Matisse ontmoette, een levenslange vriend en ook rivaal. De Stein’s stelden hem ook aan Amerikaanse kunstverzamelaars voor. In 1907 sloot hij zich aan bij de kunstgalerij van Kahnweiler. Die werd later een voorvechter van het gezamenlijk kubisme van Picasso, Braque en Gris.
Van 1907 tot 1909 was Picasso’s eerste kubisme, toen nog een mild kubisme waarbij de vlakken overal over het werk worden verspreid. Het was sterk beïnvloed door etnische Afrikaanse en Iberische kunst. Het eerste werk was “Les demoiselles d’Avignon”, de gezichten rechts werden herschilderd onder Afrikaanse inspiratie. De algemene reactie op het werk was schok en afkeer, ook bij Matisse.
Van 1909 tot 1912 was de tijd van zijn meer uitgesproken kubisme, ook analytisch kubisme genaamd. De werken van Braque in die tijd toonden veel overeenkomst. In Parijs was hij brevriend met Breton, Apollinaire, Jarry en Stein. Apollinaire werd verdacht van de diefstal van de Mona Lisa uit het Louvre, vanwege zijn verleden van eerdere kunstdiefstallen. Die beschuldigde dan weer Picasso, omdat hij toen gestolen kunstwerken had gekocht. Om niet naar Spanje gedeporteerd te worden ontkende Picasso Apollinaire ooit te hebben ontmoet. Later werden beiden vrijgesproken.
Het strenge kubisme, synthetisch kubisme of kristalkubisme genoemd, liep van 1912 tot 1919. Ook collages werden gebruikt, vaak met uitgeknipt of gescheurd behang of kranten, zijn eerste assemblages. Critici vonden dat hij de beweging had verlaten, een variant op het classicisme, de typische naoorlogse “terugkeer naar de orde”. Anderen noemden het “hardgeslepen diamanten’. Toen hij roem en fortuin had verworven, ruilde hij Olivier in voor Eva Gouel (eigenlijk Marcelle Humbert). In 1915 stierf zij als gevolg van een ziekte.
Tijdens de Eerste wereldoorlog kon Picasso ongestoord blijven schilderen in Avignon. Braque en Derain werden gemobiliseerd en Apollinaire had zichzelf aangesloten. Na Kahnweiler werd zijn contract overgenomen door Rosenberg. Hij had een affaire met Gaby Lespinasse. In 1916 kwam Apollinaire gewond terug. Hij werd ook bevriend met onder andere Cocteau, Jean Hugo en Juan Gris. Hij begon voor Diaghilev’s balletten te werken, en in 1918 huwde hij met Olga Khokhlova, een ballerina. Hun huwelijksreis was in de villa van de Chileense kunstmecenas Errázuriz in Biarritz. Door haar kwam Picasso in de wereld van de high society. Ze kregen een zoon, Paulo, die motorcoureur werd en zijn chauffeur. Hij werkte ook voor Stravinsky. In 21 verbleven ze in Fontainebleau, hij gebruikte de garage als studio.
De terugkeer naar de orde was vrij algemeen verpreid, zoals bijvoorbeeld bij Derain, de Chirico, Severini of Metzinger, voor Picasso was ze nog typischer in zijn volgende periode, de neoclassicistische, met Griekse aandoende, zware figuren. In 1925 riep André Breton Picasso uit tot “een van ons”, gepubliceerd in zijn “Révolution surréaliste”. De werken die hij op de eerste surrealistische tentoonstelling in 25 toonde, waren echter kubistisch. In 27 begon hij een langdurige affaire met de toen zeventienjarige Marie-Thérèse Walter, ze kregen een dochter, Maya. In de jaren 30 was zijn harlekijn als veel voorkomend motief vervangen door de minotaurus, dat als symbool werd gebruikt bij de surrealisten. Hij komt ook voor in zijn werk” Guernica”, gemaakt naar aanleiding van het Duitse bombardement op Guernica. De Spaanse burgeroorlog werd gevochten van 1936 tot 39 tussen republikijnen en nationalisten. Bij de republikijnen waren ook socialisten, anarchisten, communisten en separatisten. De nationalisten waren fascisten (falangisten), monarchisten, conservatieven en traditionalisten, gesteund door Nazi-Duitsland en fascistisch Italië. Generaal Franco speelde er al vroeg de grootste rol. Het was tegelijk een klassenstrijd, religieuze strijd, tussen dictatuur of democratie, revolutie of contrarevolutie, fascisme en communisme. De nationalisten wonnen en regeerden Spanje tot de dood van Franco in 75. Over de symboliek van het werk Guernica, zei hij dat het niet de taak van de schilder was om symbolen te definiëren, anders had hij die beter uitgeschreven, het publiek moet zelf zijn eigen interpretatie hebben. Het werk werd tentoongesteld in 37 in het Spaanse paviljoen op de wereldtentoonstelling van Parijs, tussen 118 werken van Picasso, Matisse, Braque en Henry Laurens. Kort na het begin van de burgeroorlog benoemden de republiekijnen hem tot directeur van het Prado bij verstek, de collectie van het museum werden naar Genève geëvacueerd.
Na de overwinning van Franco werd het werk naar Amerika gestuurd om geld in te zamelen voor de Spaanse vluchtelingen. Picasso’s thema’s waren nooit politiek, hier was het werk het gevolg van zijn romantische relatie met een antifascistische en surrealistische fotografe, Dora Maar, die in zwart-wit fotografeerde. Op verzoek van Picasso schilderde Maar de delen van het stervende paard.
De stijl van Picasso is vanaf 1937 tot zijn dood dezelfde gebleven, de “style Picasso”. Deze stijl is erg eclectisch, een niet- streng kubisme verdeelt het doek in vlakken, het werk is gestyleerd figuratief, en daardoor tussen figuratief en abstract in, het doet denken aan zijn collages en assemblages. Het is vaak ook surrealistisch, het ene werk meer dan het andere. Primitivistisch, inzoverre dat hij Afrikaans-etnische elementen blijft behouden, en expressief zoals het Duitse expressionisme. Soms had hij werk waar de figuren in gestyleerde lijnen zijn uitgewerkt, zoals zijn “Joie de vivre’ (1946), andere waren surrealistisch met één enkel driedimentionele, vrij abstracte figuur, als een schilderij van een beeld. Maar de meeste blijven trouw aan de hoofdkenmerken van zijn “style Picasso”. In 1939-40 was er een retrospectieve van Picasso’s belangrijkste werkin het Museum of Modern Art in New York, met zeer uiteenlopende reacties.
Tijdens WOII bleef hij in Parijs. Hij trok geen partij voor Catalonië, voor geen enkel land of partij. Als Spaans staatsburger in Parijs was hij niet verplicht mee te vechten tegen Duitsland. Zijn aanvraag in 1940 voor Frans burgerschap werd geweigerd op grond van zijn “extremistische ideeën die evolueerden naar het communisme”. Zijn kunststijl zinde de nazi’s niet en hij werd veel lastiggevallen door de gestapo. Tijdens een huiszoeking in zijn appartement zag een agent een foto van zijn Guernica. “Heb jij dat gedaan?” vroeg de Duitser. “Nee”, was het antwoord, “jij hebt dat gedaan.” Picasso ging ook door met bronsgieten, hoewel dat door de Duitsers verboden was. Het brons werd door het Franse verzet naar hem gesmokkeld. Tussen 1935 en 59 schreef hij meer dan 300 gedichten en 2 toneelstukken. In 44 sloot hij zich aan bij de Franse communistische partij, nam deel aan het “Wereldcongres van intellectuelen ter verdediging van de vrede” in 48 in Polen en in 50 kreeg hij de Stalinprijs van de Sovjetregering. Kahnweiler vond Picasso’s communisme eerder sentimenteel dan politiek. Breton was toen trotskist en antistalinist, en keerde zich heftig tegen Picasso’s lidmaatschap.
In 1944, op zijn 63ste, raakte hij uitgekeken op Dora Maar en begon een romantische relatie met een jonge kunststudente Françoise Gilot, ze kregen twee kinderen, Claude en Paloma. In 51 had hij ook nog een affaire met de 19jarige Geneviève Laporte. In 49 nam hij als beeldhouwer deel aan de 3de “Sculpture international” in het Philadelphia Museum of Art. In de jaren 50 veranderden zijn onderwerpen tijdelijk en “vertaalde” hij werken van oude meesters, zoals Velásquez, Goya, Poussin, Manet, Courbet en Delacroix, in zijn “style Picasso”. Daarna nam hij zijn gewone onderwerpen terug op, zijn stijl werd steeds wilder, slordiger en sneller geschilderd.
In 51 had hij “Massacre in Korea” geschilderd, vanwege de Amerikaanse wreedheden. Hij had een groot gotisch huis gebouwd en had grote villa’s in Zuid-Frankrijk. In 52 ontmoette hij Jacqueline Roque op de plaats waar hij keramiek maakte, de Madoura Pottery in Vallauris aan de Rivièra. Ze werd zijn nieuwe passie en in 61 zijn tweede vrouw. Hij bleef ermee samen tot het einde van zijn leven.
In 62 ontving Picasso de Leninprijs, daarover zei hij ooit tegen Cocteau “Ik ben bij een familie gekomen, en zoals alle families zit die vol stront”. Picasso speelde ook Picasso in enkele films. Hij maakte een maquette voor een beeld in Chicago, hij kreeg er 100000 dollar voor maar schonk dat aan de inwoners van de stad. Van 68 tot 71 produceerde hij een stortvloed aan schilderijen en honderden kopergravures. Dit deel van zijn oeuvre wekte weinig publieke interesse, al werd het later gezien als een voorloper van het neo-expressionisme, na het abstract-expressionisme. Picasso stierf op een morgen in 73 in bed aan een hartaanval veroorzaakt door longoedeem. De avond ervoor hadden ze nog vrienden ontvangen, maar bleef hij nog tot drie uur schilderen. Hij werd begraven op zijn kasteel van Vauvenargues bij Aix-en-Provence. Jaqueline zorgde ervoor dat enkel Paulo de begrafenis mocht bijwonen, de andere kinderen en kleinkinderen mochten hem niet zien. Hij had geen testament en na zijn dood begon een vete over zijn nalatenschap. Via het gerecht werd in 76 een schikking gevonden voor de 240 miljoen dollar. Hij liet meer dan 45000 onverkochte werken na, 1885 schilderijen, 1228 sculpturen, 3222 keramieken, 7089 tekeningen, 150 schetsboeken, duizenden prenten en tal van tapijten.
De getuigenissen van de vrouwen en geliefden over de persoon van Picasso waren niet mals, tegen Gilot had hij gezegd ”Voor mij bestaan er maar twee soorten vrouwen: godinnen en deurmatten.” Zijn kleindochter Marina schreef “Hij onderwierp ze aan zijn dierlijke seksualiteit, temde ze, betoverde ze, at ze op en verpletterde ze op zijn doek.” Een biograaf schreef dat werk, seks en tabak zijn verslavingen waren. Khokhlova weigerde destijds de echtscheiding, ze gingen in 41 uit elkaar maar bleven officieel gehuwd tot haar dood in 55. De wettelijke rechten van de twee kinderen van Gilot had Picasso tien jaar lang bestreden. Jacqueline Roque schreef in haar “Life with Picasso” over zijn mishandelingen en talrijke ontrouw, ze verliet hem in 53 en nam de kinderen mee. Als gevolg van het boek verbrak Picasso de banden met haar kinderen. “Pablo dacht dat hij God was, maar dat was hij niet en dat irriteerde hem.” Twee van zijn geliefden, Walter en Roque, pleegden zelfmoord. Khokhlova en Dora Maar waren bezweken aan zenuwinzinkingen. Zijn kleinzoon Pablito pleegde zelfmoord omdat hij niet naar de begrafenis mocht komen. Zijn zoon Paulo stierf in 75 aan alcoholisme ten gevolge van depressie. Jacqueline pleegde zelfmoord na zijn dood. |
| |

Pablo Ruiz Picasso, La joie de vivre (pastorale), 1946, huile sur bois aggloméré |
| |
| |
| |
|
| |
| Georges Braque (1882-1963) was een Franse schilder, collagemaker, tekenaar, graficus en beeldhouwer van fauvisme en kubisme, nauw verbonden met het Picasso, maar de stille aard van Braque werd leter overschaduwd door de beruchtheid van Picasso. Hij was geboren in Val-d’Oise, groeide op in Le Havre en volgde een opleidiig tot huisschilder en decorateur zoals zijn vader en grootvader. ‘s Avonds volgde hij ook les aan de “École supérieure d'art et design Le Havre-Rouen”, van 97 tot 99. In Parijs leerde hij verder als decorateur, het jaar daarop aan de Académie Humbert, in 1903 en 1904. Hij ontmoette er Marie Laurencin en Francis Picabia. Aanvankelijk schilderde hij impressionistisch, maar toen hij in 1905 het werk zag van de fauves met Matisse en Derain, schilderde hij fauvistisch. Braque koos een meer ingetogen fauvisme, waarin hij nauw samenwerkte met Raoul Dufy en Othon Friesz. Hij reisde samen met hen naar l’ Estaque, Antwerpen en Le Havre om er te schilderen. Hij stelde tentoon in 1907 met de Fauves op de Salon des Indépendants. Ook in 07 zag hij een grote retrospectieve van Cézanne die in 06 gestorven was, waardoor zijn werk geleidelijk evolueerde naar geometrie; Geïnspireerd door Cézanne schilderde hij een dorp met tot kubussen gereduceerde huizen. Hij begon zijn onderwerp te fragmenteren alsook hun schaduw zodat hij zowel een tweedimentionaal als driedimentionaal effect op zijn doek kreeg, een soort pre-kubisme. In 09 begon hij nauw samen te werken met Picasso, die toen beïnvloed was door Gauguin, Cézanne, Afrikaanse maskers en Iberisch beeldhouwwerk, en soortgelijke schilderijen maakte als hij. Het kubisme van 1908 wordt gezien als een gezamenlijk resultaat van beiden. In 1911 schilderden ze samen in Ceret in de Pyreneeën en in 1912 experimenteerden ze beide met collages, Braque was de uitvinder van de papier-collé-techniek. In 1908 had Braque een tentoonstelling in galerie Kahnweiler. Nadat hij werk van Braque had gezien op de Salon des Indépendants in 1909, noemde de kunstcriticus Vauxcelles de stijl “bizarreries cubiques”, zo raakte de term kubisme al snel wijdverspreid. Ze werkten intens samen tot aan de WOI, toen Braque zich aanmelde in het leger.
Braque had een relatie met een courisane, Paulette Philippi, die een opiumkit runde in Parijs. In het eerste jaar dat hij een relatie had met Marcelle, ging hij nog steeds uit met Paulette, maar hij koos uiteidelijk voor Marcelle. Marcelle Vorvanne was een model die Picasso had uitgekozen, ze stond ook model voor andere schilders, zoals Modigliani.
In 1914 begon de oorlog, Braque en Derain werden direct op het front ingezet. In 22 verhuisden Marcelle en hij naar dubbel appartement in Parijs. Braque ontving een croix de guerre en was in het “Legioen van eer”, maar in een veldslag werd hij gewond aan zijn hoofd. Hij was tijdelijk blind, en om de aandoening te verlichten, werden twee gaten in zijn schedel geboord. Hij was maandenlang onder dokterszorg. Pas na twee jaar herstel kon Braque er terug aan denken stillevens te schilderen. Hij keek met een andere blik naar zijn vrienden die de strijd hadden vermeden: Delauney, Duchamp, Picabia, Gleizes en zijn beste vriend Picasso, die beroemd en rijk geworden was. Derain vocht nog steeds aan het front, en keek neer op Braque zowel als Picasso. Braque
Braque schreef aforismen, en publiceerde ze in “Nord-Sud”, “Gedachten en reflecties over schilderijen”, geprezen en bespot.
“Beperking van middelen bepaalt de stijl, brengt nieuwe vormen voort en geeft impulsen aan de creatie.
Beperkte middelen vormen vaak de charme en kracht van primitieve schilderkunst. Uitbreiding daarentegen leidt de kunsten tot decadentie.”
“Men moet oppassen voor een allesomvattende formule die zowel de andere kunsten als de werkelijkheid zal dienen te interpreteren en die in plaats van te creëren alleen maar een stijl, of beter gezegd een stilering, zal voortbrengen…”
“Adellijkheid ontstaat uit ingehouden emoties. Emotie moet niet worden weergegeven door een opgewonden trilling; het kan niet worden toegevoegd of geïmiteerd. Het is het zaad, het werk is de bloesem.”
Vooral Derain regeerde minachtend op het dagboek van luitenant Braque. “Het is zo afschuwelijk droog en gevoelloos. Het slaagt erin fanatisme te combineren met wat initiële omissies. Je hebt eeuwen schilderkunst nodig, goed en slecht, voor of tegen, om een idee over kunst te hebben. Het reguleert de verbeelding.”
Het essay liet Braque toe zijn werk aan hoge bedragen te verkopen. Het stelde hem en zijn vrouw in staat om een modern huis te bouwen in Montpernasse. Zijn atelier was de hele bovenverdieping. Ze hadden een kok en een chauffeur.
WO II maakte een einde aan dit leven. Samen met de Derain-familie waren ze naar het zuiden van Toulouse verhuisd. Toen ze na de oorlog terugkwamen, merkten ze dat hun huis als verblijfplaats door Duitse officieren was gebruikt. Derain bezocht Duitsland als eregast en aanvaardde hun opdrachten, maar Braque bleef doof voor hun smeekbeden.
Na WO I ontwikkelde Braque een meer persoonlijke stijl, met heldere kleuren, getextureerde vlakken, een minder streng kubisme. Hij was bevriend met Juan Gris. Hij schilderde veel stillevens. Hij bleef schilderen tot aan zijn dood in 1963. Hij kreeg een staatsbegrafenis in de Cour Carrée van het Louvre. |
| |

Georges Braque, Nature morte, Le Jour, 1929, oil on canvas |
| |
| |
| |
| |
| |
| Robert Delauney (1885-1941) was de zoon van een gravin, toen hij nog kind was scheidden zijn ouders en werd hij opgevoed door een tante van moederskant en haar echtgenoot, in La Ronchère. Toen hij zakte voor zijn eindexamen stuurde zijn oom hem naar Parijs, om decoratieve kunsten te studeren bij Ronsin. In 1904 verliet hij Ronsin, hij stelde met zes werken tentoon op het Salon des Indépendants. Hij reisde naar Bretagne waar hij werd beïnvloed door het nabisme van Pont-Aven. Toen hij in 1906 zijn Bretoense werken tentoonstelde op de Indépendants, ontmoette hij Henri Rousseau. Hij raakte bevriend met Metzinger en deelde met hem een tentoonstelling in de galerij van Berthe Weill en beschreven als divisionisten door kunstcriticus Vauxcelles. In 1906 en 1907 schilderde zij vaak samen, beiden maakten portretten van elkaar. In 1908 deed hij zijn diensttijd als regimentsbibliothecaris. In 1909 trouwde hij met Sonia Terk, die gescheiden was van een Duitse kunsthandelaar. Hij schilderde Parijs en onder andere de Eiffeltorenserie. Samen met anderen richtten zij de orfistische kunstbeweging op. Ze vestigden zich in Parijs en kregen een zoon in 1911. Op uitnodiging van Kandinsky sloot hij zich aan bij Der Blaue Reiter in München. Delauney had ook succes in Duitsland, Zwitserland en Rusland. Op de eerste Blaue-Reiter-tentoonstelling verkocht hij vier werken. In 1912 stelde hij tentoon op de tweede Blaue-Reiter-tentoonstelling in München en op Schurkenboer in Moskou. Hij zag zichzelf als de ketter van het kubisme en had hevige discussies met kameraden die alle kleur uit hun palet hadden verbannen, hij zelf werd verweten naar het impressionisme terug te keren of decoratief werk te maken. Ook in 1912 hingen 46 werken op een grote tentoonstelling, georganiseerd door een wiskundige. Het satirische tijdschrift “L'Assiette au Beurre” schreef hoe Picasso en Braque zich buiten de groep hielden, en dat Delauney zich wou isoleren van Metzinger of Le Fauconnier. In 1913 had Delauney een expositie in Berlijn in Galerie Der Sturm. Toen Delauney met Apollinaire terugkeerden naar parijs verbleven ze bij August Macke in Bonn, die hen voorstelde aan Max Ernst. Als zijn werk “La ville de Paris” werd afgewezen door de Armory Show omdat die te groot was, liet hij er al zijn werken verwijderen.
Toen in 1914 WO I uitbrak, waren Robert en Sonia Delauney in Spanje, ze besloten zich in Madrid te vestigen. In 1915 verhuisden ze naar Portugal waar ze een huis deelden met Samuel Halpert en Eduardo Viana. Ze zochten een artistiek partnerschap met Viana en José de Almada Negreiros. Robert werd aanvankelijk deserteur verklaard en in 1916 werd hij op het consulaat in Vigo ongeschikt verklaard voor militaire dienst. Door de Russische revolutie viel de financiële steun voor Sonia van haar familie weg, hij ontwierp decors voor Cleopatra van Diaghilev in Madrid, zij de kostuums. Sonia liep een opdracht mis in 1920, met als reden gehuwd te zijn met een deserteur, de galerie Der Sturm in Berlijn toonde in dat jaar het werk van Sonja en Robert Delauney uit hun Portugese periode. In 1921 keerden ze terug naar Parijs. Delauney bleef zowel figuratief als abstract werken, met een korte surrealistische periode. Breton en Tzara introduceerden hem zowel bij dadaïsten als bij surrealisten. Hij werkte mee aan het ontwerp van de paviljoenen voor spoorwegen en luchtreizen op de Wereldtentoonstelling te Parijs in 1937. Toen WO II uitbrak trokken de Delauney’s naar Auvergne, Robert leed aan kanker en verdroeg de verplaatsing niet, hij ging achteruit. Hij stierf in 1941 in Montpellier. |
| |

Robert Delauney, La ville de Paris, 1912, oil on canvas |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
|
|
| |